 |
 Schaaps Beenbreuk (10)
Gezondheid | gezondheid
|
09 December 2008 | 17:04:55
 |
Weekenddienst
Zaterdag 18 oktober 2008.
En zo glij je dus een dip van het
betere soort in. Vier slechte nachten, zonder individualiteit opgesloten zitten met lekkende mensen in een te kleine en te warme
ruimte. Dan wil het wel lukken. Een gebroken been, een aanrijding,
een Jeroen Bosch-operatie en vele tonnen aan medicijnen die allemaal
wat raars met je perceptie uithalen doen de rest. Ook belangrijk.
Anders Neil Young's Harvest wel. We
hebben het hier dus over een depressie in het sentimentele stadium.
Zo'n depressie van “ja, huil het er even lekker uit.”
Voor de vierde keer gaat 's ochtends
het licht aan, maar dit keer voelt het anders. Het is veel stiller op
de afdeling. De normale bedrijvigheid waar ik nog niet eens aan
gewend ben geraakt heeft plaatsgemaakt voor een rust die een beetje
unheimisch overkomt. Het is weekend. Dat is het. En iedereen moet
natuurlijk een beetje bijkomen van de bijna-dood-ervaring van Mevrouw
Flodder, de grote dikke vrouw die gisteravond op het bed van de
misschien wel dode meneer Oer is gelegd.
Mevrouw Flodder was van het
soort dat net zo vrij poepte als de Grote Rasta op mijn eerste nacht
plaste. Mevrouw Flodder deed dat op een po-stoel naast haar bed en
deed het dekseltje er niet op wanneer ze klaar was. Een van de
verpleegsters vond dat een beetje vies, als ze erlangs liep, vooral
ook omdat mevrouw Flodder graag op zijn Hollands de gordijnen open liet. Omdat het kamertoilet maar drie passen verder was,
adviseerde de avondverpleegster haar om dan maar haar bedrading en
slangen mee te nemen naar dat toilet. Dat is vermoedelijk die nacht misgegaan.
Ik was zowaar een beetje in slaap
gevallen, omdat Pauw en Witteman niet leuk waren en ik eigenlijk
überhaupt nergens meer zin in had. De gordijnen rond mijn bed waren
dicht: die vrijheid had ik afgedwongen. Maar nu kreeg meneer Reuks
waanvoorstellingen. Hij sliep soms kreunend, werd dan weer wakker en
wist niet waar hij was. Hij wilde naar huis en ik moest hem brengen.
Gelukkig kon ik hem duidelijk maken dat dat met mijn gebroken been en
algemene toestand een beetje lastig zou worden, en dan kalmeerde hij
wel weer. Dat was zo'n vier keer gebeurd toen bij Mevrouw Flodder
het licht aan ging.
Het gebeurde achter mijn dichte gordijn en achter
haar dichte gordijn, maar het moet een ER-achtige scene zijn geweest,
die best lang duurde. een stuk of wat artsen, veel verplegers en allemaal rennen en roepen.
Er schijnt wat leidingwerk losgeraakt
te zijn, maar de journalist in mij kreeg nul op het rekest toen hij
maar de details vroeg.
Genoeg over toen.
Die stille zaterdagmorgen heeft niets
van de sereniteit die stille zaterdagmorgens plegen te hebben. Het is
een gespannen stilte en de reden is dat er drie zieken zijn. Onder
het personeel. Dat betekent dat er stagiaires worden ingevlogen en
verpleegsters van andere afdelingen hier moeten inspringen op de
traditioneel meest hectische verpleegafdeling van het ziekenhuis.
Alles is later en ik ben klaar voor de dip.
Voor het eerst durf ik weer muziek aan
op mijn iPod. Na al die hoorcolleges en luisterboeken heb ik even
genoeg inhoud gehad. Maar waarom zet ik dan Harvest op? Geen idee. Een
mens doet wel meer irrationele dingen. Ik ben immers opgegroeid met
Bowie. Neil Young, dat was iets van de broer vlak boven mij. Maar
Bowie doe ik even niet vanwege die operatie. En Harvest werkt.
Ongelooflijk.
Die eerste doffe drum van 'Out on the
Weekend'. Die harmonica. De droogte aan de Amerikaanse westkust in
één keer opgelost. Ik wist niet dat ik zo kon grienen. De tekst is
te vaak gequote om hier nog te herhalen. 'Can't relate to joy.' Dat
zegt het even allemaal. Gewoon downloaden of kopen als je een geweten
hebt.
De hele cd duurt een huilbui lang en
alles wat daarna komt staat er vagelijks bij in de schaduw. Berlin
van Lou Reed durf ik niet aan, vanwege de traditioneel suïcidale
bijeffecten. Even terug in de reminiscentiejaren, al doen The Shins
het ook heel goed om je ogen bij uit je lijf te huilen. En wat dan
nog. Ik had waarschijnlijk Frans Bauer nog gepikt.
Ik ben droog wanneer de fysiotherapeute
komt om mij een tweede trappoging te laten doen. Het resultaat is
ongeveer hetzelfde als gisteren. Ik weet dat het me nauwelijks lukt, maar straal
uit dat ik dik tevreden ben. Ze denkt na, maar ziet aan me dat een
weekend in dit ziekenhuis mij eerder fataal zal worden dan een
misstap op één van de twee trappen op weg naar de hemel, thuis. Ze geeft het
verlossende woord om elf uur, als mijn oudste broer en Suzanne thuis
bezig zijn om de voormalige woongroepswoning om te bouwen tot een
aangepast gehandicaptenonderkomen: beugels in de natte ruimte, een
verhoogd toilet, rolstoel, een douchestoel en een computertafeltje.
The Works. Man needs a maid. Inclusief de violen. Broer Cor heeft een
hart van goud.
Uiteindelijk duurt het tot half zes
voor de dagverpleegster mij ontslaat uit het ziekenhuis. Het is
weekend en de dienstdoende arts die mij eigenlijk moet vrijpleiten
staat er (zoals altijd) dit weekend alleen voor. Een heel ziekenhuis
op anderhalve arts. We mogen trots zijn op de volharding van onze
medische handwerkers. Het ligt aan hen dat het dodental in het ziekenhuisweekend niet op het niveau van een gemiddeld
derdewereldland ligt.
Ik klaag niet, want de verpleegster is een
schat en ze is de eerste die zich de tijd toe-eigent om met mij te
praten. Mooie tien minuten, al spreek ik haar niet meer nadat ze mijn
verband gewisseld heeft. Het was de eerste keer sinds de operatie en
het zat nog op een bizarre manier onder gedroogde en tot poeder
vergane bloeddoordrenkte lappen. Ze grijpt inwendig vloekend naar
mondkapjes en handschoenen en ik besef dat ik ondanks het prettige
gesprek ondertussen nog gewoon een anoniem gezondheidsrisico ben.
Mevrouw Ümlaut blijkt genegen tot een gesprekje, nu wij zo overduidelijk uit elkaars leven
zullen verdwijnen. Onderbroken door wat onsamenhangend geroep van
meneer Reuks leer ik de 82-jarige kennen als een mens dat heeft
leren leven met de beperkingen van het huwelijkse leven. Ze had een
mooie baan bij Shell tot ze werd ontslagen omdat ze trouwde: tot diep
in jaren vijftig van de 20ste eeuw de wettelijke regel in het
modernste land van Europa.
Ze keerde voor haar huwelijk bovendien
uit Amsterdam terug naar het ouderlijk huis in het Christelijke deel
van Het Gooi, en is daar blijven wonen tot ze daar een jaar geleden
uit weg moest. De kinderen vonden het onverantwoord dat het gouden
bruidspaar in het oude landhuis bleef wonen. In de nieuwe aanleunflat
in Bilthoven gaat het steeds meer mis. Haar man breekt zijn heup,
gevolgd door haar, een maand of twee later. Ze is een beetje
depressief, zegt ze. Maar wanneer ik doorvraag zegt ze dat dat altijd
is wanneer de blaadjes vallen.
Ze is vooral blij met die kleine
vrijheid die ze buiten heeft staan. Haar originele Mini Cooper uit
1980, waarmee ze nog altijd plezierritjes maakt: ,,En dan houd ik me
echt niet aan alle regeltjes, hoor.”
Ik had haar wel verteld dat ik door een
ouder wordende automobilist met Sido het ziekenhuis in gereden was,
maar dat mag haar pret niet drukken. Ze is drie maanden geleden
opnieuw gekeurd en mag nog zeker vijf jaar door in de mini. Perfecte
ogen.
Ik feliciteer haar. Zij bedankt mij.
,,En weet je wat het is?” vraagt ze
even later. ,,Ze hebben me hier gescand rond de operatie en ze hadden niet zulk goed nieuws. Ik heb vasculaire dementie.” Gelukkig
maar dat haar rijbewijs al vernieuwd is, glimlacht ze, op het moment
dat haar echtgenoot binnenkomt.
Volgende keer: seks.
|
|
|
 |
 |
 Schaaps Beenbreuk (9)
Gezondheid | gezondheid
|
20 November 2008 | 15:40:48
 |
Een trap te ver
Donderdag 16 oktober 21:00 uur –
Vrijdag 17 oktober, 12:00 uur.
Er is iets aan de hand met het woord
medelijden, en dat zit me al een tijdje dwars. Komt ook: ik schiet
vast in mijn reconstructie van de vier dagen ziekenhuis, en dat heeft
alles te maken met medelijden. Donderdagnacht is namelijk de nacht
van de echte trip naar de heart of darkness die zo'n ziekenhuis is en
dan krijg ik dus een probleem. Tot nu toe kon ik alles beschrijven
met een combinatie van echte gruwel, horror en zelfspot, waardoor
het, ondanks de enge inhoud, toch leuk is om te lezen. Dat lukt niet
meer wanneer je alleen nog maar zielig bent. En als je te lang zielig
bent, lopen je vrienden weg. En daar verzet ik me dan weer tegen.
Maar verzet is zinloos als je je vijand niet kent. En dus had ik even
nodig om die te vinden. En die vijand is dus: 'medelijden'.
Mensen die plots een soort Dominee
Gremdaat-achtig stemmetje horen bij dit verhaaltje: dat klopt. Want
wat is dat woord toch? Mede-Lijden. Je lijdt met iemand mee. Nobel,
maar hoe doe je dat eigenlijk: mee-lijden? Stel je voor: iemand
lijdt. Ik bijvoorbeeld, aan het feit dat al mijn kamergenoten om
negen uur willen slapen, en ik minstens nog Pauw en Witteman wil
halen, maar de gordijnen tussen de bedden open moeten b lijven opdat
de nachtzuster snel kan zien wat er met wie mis is.
We komen hierop terug.
Er zijn zat mensen die dan met mij
meelijden. Dus medelijden hebben. Neem je dit letterlijk, wat we nu
even zullen doen, dan voelen deze mensen, net als ik, zichzelf
schuldig aan alles wat er die verdere nacht misgaat. Mevrouw Ümlaut
kan immers niet in slaap komen omdat ze boos is over mijn
bedschijnwerper, meneer Reuks krijgt, naast zijn verstopping, ook nog
last van mijn flitsende tv en net als iedereen slaapt gaat het
helemaal mis met meneer Oers' pijn, die begonnen was omdat hij wilde
wegkomen van mijn vele bezoek, die middag. Meneer Oers moet na een
helse nacht terug naar de hartafdeling en is nu misschien dood, en
dat heb ik dan ook op mijn geweten.
Lijd daar maar eens mee mee.
Medelijden is dus een verkeerd woord,
want niemand kan meelijden met iemand die in zo'n nacht in de NRC
Hoorcolleges Stadsgeschiedenis, die zijn vrouw zo ontzettend aardig
heeft besteld, wakker wordt gehouden door de verschrikkelijke EO-stem
van de hoogleraar Herman Beliën, waardoor hij, na melding daarvan
aan zijn vrouw, háár ook nog eens ongelukkig maakt.
Het grappige is dat deze tekst alleen
mar wijst op iemand met een onstilbaar zelf-medelijden. En daar gaat
het dus om. Want zelfmedelijden is fout. Zelfmedelijden is
pathetisch. Zelfmedelijden mag niet, omdat het zo gênant is voor de
mensen die al medelijden hebben.
Niemand die de vraag stelt: hoe kun je
eigenlijk medelijden met jezelf hebben, en als het al kan, wat is
daar eigenlijk fout aan? Die donderdagnacht was er helemaal niemand
met wie ik zelf mee kon lijden, behalve mezelf. Maar ik leed al. Dus
zou het dubbel worden.
Er is iets anders. Wil je echt goed met
iemand mee kunnen lijden is het dus niet leuk als die persoon al
medelijden heeft met zichzelf. Voor een effectieve medelijd-sessie is
het eigenlijk een ongeschreven regel dat de lijder zelf heel vrolijk,
monter en optimistisch is. Wij vinden die arme Afrikanen ook veel
zieliger wanneer ze in zonnige dorpjes hun 1 dollar per dag uitgeven
aan die vrolijke kleuren van hun hutjes, dan wanneer ze in de
stromende regen in de buurt van Goma in een plas aan de cholera
liggen te sterven. Dan is het niet zielig meer, maar
huiveringwekkend, en keren we ons gegeneerd af.
Medelijden is er voor de medelijder. De
lijder heeft er niet zoveel aan. De medelijder wil graag het idee
hebben dat hij of zij iets kan bereiken met zijn medelijden. Wat is
anders de betekenis van dat woord 'lijden' in 'medelijden'? ,,Ik lijd
ook. Ik lijd met je mee.” zegt de medelijder. Waardoor het erop uit
draait dat de echte lijder het grootste deel van de tijd bezig is om
de medelijders op te vrolijken. Mijn vader was daar, anderhalve maand
voordat hij aan darmkanker stierf, ook heel goed in. Mensen kwamen
bedrukt en bedroefd bij ons huis aan en gingen na een uurtje vrolijk
en opgemonterd weer naar hun eigen huis terug. Even vrolijk door ons
uitgezwaaid. Dat is wat medelijden met de mensen doet.
Let wel, ik ben niet voor invoering
van het Arabische leedmodel. We gaan niet met zijn alleen grienen,
gillen, onze kleren verscheuren omdat dat nu eenmaal ook schijnt op
te luchten, na een week. Ik vind alleen dat we wat meer ruimte mogen
geven aan klagen.
Ik wil mezelf in mijn toestand graag
beklagen, en ik vind het heel prettig als mensen naast mij dat met me
eens zijn. Dat is geen medelijden, maar gewoon erkenning. En dan niet
gaan opvrolijken, om weer aan de oude medelijdenformule te kunnen
voldoen.
Ik pleit voor zelfbeklag en meeklagen.
Natuurlijk was het veel erger geweest als ik in een Amerikaans
ziekenhuis gelegen had. Natuurlijk was het veel erger geweest als ik
niet mijn been, maar mijn rug, of allebei mijn armen had gebroken.
Mensen die dat hebben, zijn er inderdaad verschrikkelijk aan toe,
maar ze zijn even niet hier.
Daarom dus: die donderdagnacht in het
Diak is een beproeving, en de ochtend die erop volgt nog erger. Ik
droog uit omdat mijn katheter zijn werk naar behoren doet, en ik de
resterende vochtvoorraad via mijn ogen en neus aan het lozen ben. Ik
weet het: ik verzet me, en dat is niet gezond. 'Go with the flow',
hoor ik je zeggen, maar ik wil maar met één flow mee, en dat is
die, die rechtstreeks naar buiten gaat, naar mijn huis, twee hoog
zonder lift in Lunetten. Bij Suzanne, die dus nu zelf langzaam maar
zeker zo op haar tandvlees loopt, dat zij ook alle reden heeft om
zich te beklagen. En ik haar dus, wat mijn ellende alleen nog maar
groter maakt.
De fysiotherapeut neemt mij mee naar
een trap, nadat een verpleegster een slang van een halve meter en een
ballonnetje uit mijn tere deel heeft gehaald, waardoor ik opeens snap
hoe pijnlijk zo'n ding werkelijk is. Vier weken geen, of op zijn
hoogst pijnlijke seks is iets wat ik zeker moet zien te verrekenen
met de 61-jarige jurist met SIDO* die mijn been aan stukken (5 hele
schuine om precies te zijn, weet ik vijf weken later) heeft gereden.
De trap telt een tree of twintig en ik
vind dat ik een snelle leerling ben. Één slappe hand op de leuning,
de ander op de kruk en zo jezelf tree voor tree naar boven hijsen.
Naar beneden is makkelijker. De fysio vindt mij ook een snelle
leerling. Maar niet snel genoeg. Hij wil zeker zijn dat ik niet val,
of het halverwege begeef. Zaterdag zal zijn collega nog een keertje
komen oefenen, en die zal dan bepalen of, en zo ja wanneer, ik naar
huis mag.
Dat is teveel. Ik stort in. Niet nog
een dag en nacht in dat verschrikkelijke zaaltje? Hij is aardig, en
de verpleegsters zijn aardig, en de dokter is een genie, maar nog een
nacht in dat ziekenhuis... Ik breng hem in gewetensproblemen, met
hulp van Suzanne, zeg hem dat ik die twee trappen in Lunetten maar
één keer op hoef, en dat ik daarna braaf heus heus alle dagen
boven zal blijven, maar nee.
De fysio haalt de dokter erbij en die
zegt dat het ook beter is als ik morgen even afwacht.
(*) 'Stront In De Ogen'
Volgende keer:
Weekenddienst
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk (8)
Gezondheid | gezondheid
|
09 November 2008 | 17:44:40
 |
Leedrecht
Donderdag 16 oktober, 14:00 –
21:00 uur
Een van de grootste problemen op een
vierpersoons zaal in een ziekenhuis is de pikorde. Zolang iedereen
bont en blauw, groggy en volslagen van de wereld in bed een beetje
voor zich uit ligt te boeren en worstelt met urinalen, katheters en
bedpannen, is er niets aan de hand. Maar zodra de ergste persoonlijke
ongemakken ook maar een beetje naar de achtergrond verdwijnen, gaat
er iets anders knagen. Heel simpel is dat de vraag wie er hier nu
eigenlijk het ergst aan toe is. Dat is dan de persoon die een soort
van de leider is, de woordvoerder in tijden van nood, degene die de
grapjes mag maken waar de anderen beleefd om zullen gaan lachen.
Die vraag wordt nooit hardop gesteld en
zal zelfs door alle buitengewoon solidaire patiënten en
verpleegsters luidkeels ontkend worden, maar hij broeit wel onder
alle rudimentaire communicatie op zo'n zaaltje. In principe is de
vraag niet moeilijk te beantwoorden. Om concreet te worden: ik ben er
het ergst aan toe, niet alleen vanwege mijn eigen pijnlijke toestand,
maar ook omdat ik naast meneer Reuks lig.
Meneer Reuks is inmiddels getemd door
verpleegster M, en omdat hij weer volop kon plassen is in
ieder geval de helft van zijn klachten weg. Blijft over de enorme
hoeveelheid laxeermiddel die in meneer Reuks wordt gestopt, om een
eind te maken aan zijn verstopping. Die middelen helpen niet.
Hoogstens komt er nu een vrij constante, sterk riekende stroom
luidruchtige winderigheid bij, wat meneer Reuks een complimentje van
de arts oplevert: 'Dat hebben we dan in ieder geval al voor mekaar,
meneer Reuks.'
En dan is het tijd voor een klysma.
Het moet gezegd worden: meneer Reuks
gaat er dapper mee om. De klysma's leveren geen tastbaar resultaat
op, anders dan de nodige hoorbare ellende, maar meneer Reuks blijft
er grappen over maken. Ik kan ze niet allemaal verstaan, vanwege het
platte Middelvleutens dat deze tuinder spreekt, maar ik weet dat een
vorm van vriendelijk terug glimlachen de situatie voor ons allemaal
beter maakt.
Met mevrouw Ümlaut probeer ik
ondertussen een vage vorm van solidariteit op te bouwen. Ze komt,
ondanks de regelmatige signalen van fysieke ongemakken van onder haar
dekens, gedistingeerd over, en dat niet alleen vanwege die umlaut
waar ze zo aan gehecht is, en die zo hinderlijk door alle bezoekende
verpleegsters, laboranten en artsen wordt genegeerd.
Mevrouw Ümlaut heeft iets mild Goois
over zich: niet overdreven bekakt maar wel cultureel op de hoogte.
Vanaf mijn bed probeer ik zo nu en dan een begripsvolle glimlach haar
kant uit te sturen. Mevrouw Ümlaut is een jaar jonger dan mijn
eigen moeder en er zoveel beter aan toe, denk ik op dat moment nog.
Het enige rare is dat mevrouw Ümlaut
de Privé en de Story leest. Lectuur die ik op geen enkele manier kan
rijmen met haar verder zo edel overkomende uitstraling. Later zal ze
mijn vermoeden bevestigen, wanneer ze haar dochter meldt dat ze uit
arren moede aan niets beters toekomt dan de roddelbladen. Het stelt
me gerust. Al merk ik ook steeds aan mevrouw Ümlaut dat zij van
zichzelf vindt dat zij er nog veel erger aan toe is dan ik, zeker
omdat ze met zo'n onvolwassen stuk vreten als ik op één kamer moet
liggen. Verder dan dit soort stilzwijgend uitwisselen van
onuitgesproken vijandelijke vermoedens komen we niet, maar ik merk
later dat ze vindt dat ik de kantjes ervan af loop.
Soit. Het kan me niet schelen. Ik lig
op een kamer met twee hoogbejaarde mensen en lijd. Het liefst lig ik
achterover naar het plafond te staren, en te wachten op Suzanne, die
zich niets aantrekt van de bezoekuur-regels en dus op de raarste,
maar altijd nog te schaarse momenten aan mijn bed opduikt.
Ze heeft weer van allerlei lieve dingen
gedaan. Hoorcolleges besteld van de NRC Handelsblad-academie, ter
vervanging van Maarten van Rossum. 5000 jaar stadsgeschiedenis: dat
moet me wel door de komende nacht heen krijgen. We kloten wat met de
vele snoertjes, opladers en elektronische gadgets die ik om me heen
verzameld heb. Haar iBook moet alles naar de diverse iPods
overbrengen, tot verbijstering van het nog niet tot het digitale
tijdperk toegetreden ziekenhuispersoneel.
Ik merk natuurlijk dat Suzanne op haar
tandvlees loopt. Ze moet hard doorwerken aan de opdracht die we eerst
samen deden, maar die zij nu noodgedwongen in haar eentje af moet
ronden. We drijven op haar inkomen, de komende maanden, nu steeds
duidelijker wordt dat ik op geen enkele manier aan werken toe zal
komen. En ik wil haar eigenlijk de hele dag om me heen hebben. Haar
voor van alles inzetten. Ik vraag haar ook de oren van de kop, over
allerlei dingen die nog moeten worden geregeld, mensen die moeten
worden gebeld. Ik besef te weinig hoe veel ze al doet. Ze heeft een
maillijst gemaakt waarin ze vrienden en bekenden op de hoogte houdt
van mijn wedervaren. Ze wordt overspoeld door solidariteit van
vrienden en familie, niet alleen met mij, maar zeker ook met
haarzelf, maar ondertussen slaapt ook zij slecht, heeft ze ook haar
eigen verdriet en moeten we hoe dan ook maar zien om te gaan met de
algehele kloterigheid van de situatie.
Inmiddels is er een nieuwe opdracht
bijgekomen. Als ik morgen inderdaad naar huis wil, zullen de twee
slangen die sinds gisteren aan mij vast zitten, los moeten. De
katheter zal dus op enig moment uit mijn weke delen moeten worden
gehaald, en ik zal moeten afkicken van de morfine die me nu laat
zweven in de toch wat treurige gelijkmoedigheid van een groggy
ziekenhuispatiënt. Immers: morfine en op krukken lopen gaan niet
samen. Ik besluit te minderen, en hoop me die nacht te kunnen
troosten met de televisie. Ik heb een abonnement genomen op het
patiëntenkanaal.
Het bezoekuur, de periode tussen vier
uur 's middags en acht uur 's avonds, zet de broze verhoudingen op de
kamer op scherp. Ik heb bij het roepen van 'Ja! Alsjeblieft! Komen!'
geen rekening willen houden met de regel dat er per patiënt maar
twee bezoekers tegelijk binnen mogen zijn, en dat zal me de rest van
de nacht gaan bezuren, al besef ik dat op dat moment nog niet.
Ik heb bezoekuren altijd gehaat.
Vreselijk om bij een vriend, oma, of erger nog, mijn eigen aan kanker
stervende vader op een anonieme ziekenzaal te moeten zitten. Een in
een ziekenhuis liggend ziek lijf is geen pretje om aan te zien, en
ook al probeer je het zicht erop te vermijden: je ziet de slangen in
en uit dat lijf gaan, je hoort de lichamelijke ongemakken, je ruikt
de luchten die je niet wilt ruiken. Andere patiënten en bezoekers
maken iedere vorm van intimiteit onmogelijk en hoe dan ook heb je
eigenlijk niets om over te praten.
Ik kan me dus helemaal voorstellen hoe
mijn bezoek zich voelt. Ik zie ze naar me kijken, ik zie ze de
walging verbijten en terwijl ik best blij ben dat ze er zijn, mijn
bijna levenslange vriendin A en de partner in crime I, schaam ik me
voor hoe ik erbij lig. I heeft zelf net een heftige ziekte achter de
rug en A was afgelopen zomer iedere dag op deze afdeling op bezoek
bij haar vreselijke stiefvader. Hier zitten drie ongelukkige mensen
bij elkaar, en we praten wat om de tijd te verdrijven, maar geen van
drieën willen we hier zijn.
De goede vriendinnen worden afgewisseld
door mijn broer, zijn vrouw en mijn tante, die zelf nog hard aan het
werk is om de plotselinge en heftige ziekenhuisdood van haar
levensgezellin te verwerken. Er zijn drie mensen aan mijn bed, en dan
komt Suzanne ook nog eens binnen. Dat maakt vier en nu begint mevrouw
Ümlaut te morren. Ik had ook al wat verstoorde blikken gekregen van
meneer Oer, een man van ongeveer mijn leeftijd die vlak voor het
bezoekuur de kamer op werd gereden, en die met zijn vrouw zacht
fluisterend de verse ziekenhuiservaring probeert te verwerken. De
cateringzuster komt een prakje brengen dat ik niet heb besteld, en na
een paar happen besef ik dat de verdoving van gisteren ook rare
dingen met mijn smaakpapillen heeft gedaan. Dat ik toen iets lekker
vond, kan alleen aan de narcose hebben gelegen. Het eten is van
onduidelijke structuur en samenstelling, smaakt naar gaarkeukens en
maggi, en is gruwelijk doorgekookt. Ik hals kok.
Mevrouw Ümlaut complimenteert de
cateringzuster met het heerlijke eten. Naast mij blijkt hoorbaar dat
zelfs deze maaltijd meneer Reuks niet van zijn verstopping heeft
afgebracht en meneer Oer gaat een wandelingetje maken met zijn vrouw,
waarschijnlijk om even van alle drukte verlost te zijn. Hij keert na
10 seconden terug, met verschrikkelijke pijnen. Mijn bezoek vertrekt
en met Suzanne drink ik nog een kopje espresso van beneden.
Gelukkig was dit mijn laatste
bezoekuur, zeggen we tegen elkaar. Mijn broer heeft aangeboden
morgenmiddag aanpassingen in het huis te schroeven en mij uit het
ziekenhuis te komen halen. Vanavond Keuringsdienst van Waarde en
Opium op de vers aangesloten tv. Vannacht de hoorcolleges om me af te
leiden van de morfine, waar ik net mee ben gestopt.
Om negen uur gaat Suzanne naar huis en
vraag ik aan de zuster wie de verwarming op 35 heeft gezet.
'Het is de drukte hier geweest. Op
zoveel mensen op een zaal is de airco niet berekend.' En: 'Nee, de
ramen mogen natuurlijk niet open, want dat is zonde van de airco.'
Mijn kamergenoten vinden dat ook
helemaal niets, een aangename slaaptemperatuur van een graad of tien.
Volgende keer: Een trap te ver
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk (7)
Gezondheid | gezondheid
|
08 November 2008 | 15:24:00
 |
De Ochtenden
Donderdag 16 oktober
Hoe verder de werkelijkheid die ik wil
beschrijven achter me ligt, hoe gecomprimeerder de beelden, en
misschien ook: hoe onbetrouwbaarder. Ik vertel mijn verhaal, praat
met mensen, krijg reacties, vaak goede, maar ook mindere: een kennis,
zelf een tweede leven als verpleegster begonnen, is boos omdat ik in
mijn eerste verhaal een verpleegster vervloek om de pijn die ze me
aandoet. Er zijn kennelijk grenzen aan de eerlijkheid die ik me kan
permitteren. Al houdt het hier niet op. Ik heb inmiddels een advocaat
met een absurd verhaal dat nog verteld moet worden, een paar
slapeloze nachten van steeds weer nieuwe soorten pijn op steeds weer
andere plekken, en ik heb Carré bezocht omdat ik wilde bewijzen dat
ik dat kon. Het liep uit op een regelrechte ramp. O. En het essay is
af.
Maar die nacht, na die operatie en die
verdoving die er zelfs voor zorgde dat ik de spinazie,
aardappelrolletjes en vleesperserij van het Diak lekker vond, had ik
er twee slangetjes bij waar ik erg gelukkig van werd. Via het ene
werd ik verlost van het gedoe met plastuiten, en via het andere
stroomde vrijwel zonder enige onderbreking morfine mijn lijf binnen.
Ik mocht zelf op het knopje drukken als de pijn te erg zou worden en
een machientje zou ervoor waken dat ik mezelf niet zou OD-en. Er was
dus één ding waar ik controle over had, en dat vervulde me met een
onbeschrijfelijk geluksgevoel.
Veel geslapen heb ik niet, het was meer
een niet-aflatend dommelen, en dat kwam gedeeltelijk door mijn angst
om toch, onverhoeds, in mijn slaap door dezelfde helse pijnen
overvallen te worden als de welgeschapen Rasta van gisteren. Maar het
kwam ook door Douwe Draaisma, wiens luisterboek 'waarom het leven
sneller gaat als je ouder wordt' niet echt opbeurend werkte. Een
latere poging om Hans Dorrestijns zelf voorgelezen roman door te
komen liep ook spaak. Ik miste Maarten van Rossum, maar om die nu
weer op te gaan zoeken, daarvoor ontbrak mij de puf.
Het zal ook rond die tijd zijn geweest
dat mijn opgetogenheid over de operatie die achter me lag en het
slangetje met gelukswater in mijn linkerarm langzaam maar zeker
plaats begon te maken voor een diep gevoel van depressie.
Ik miste de Rasta nu al, want voor die
man in de plaats was meneer Reuks gekomen. Een oudere man met de
woordenschat van een driejarige en grof in de bek. Reuks was met
onduidelijke verstoppingsklachten opgenomen in het Diak, nadat hij,
zo begreep ik later, eerder al geopereerd was. Plassen lukte meneer
Reuks niet, die eerste nacht, evenmin als het doen van een grote
boodschap, en hij moet aan helse pijnen hebben geleden. Zijn gekreun
wees daar in ieder geval op.
Meneer Reuks had een grote behoefte om
zijn leed te delen, al was dat dan wel soort van eenrichtingsdelen,
omdat al teveel woorden terug de man al snel deden duizelen. Aan de
overkant was mevrouw Ümlaut vooral heel erg groggy. Iets in me
maakte zich zorgen om mijn kamergenoten en ik deed mijn best om mee
te leven met de eenzame nachtzuster die de benen uit haar lijf liep
om alle hulpverzoeken in te willigen, terwijl er ook nog twee keer
alarm was vanwege de verwarde man, twee deuren verder.
De ochtend in het Diak begint om een
uur of vroeg met de laatste daad van de nachtploeg: het rondstrooien
van borrelglaasjes pijnstillers en andere geneesmiddelen. Net als de
eerste nacht zonder uitleg en bijbehorend water, maar dit keer ben ik
voorbereid. Suzanne had die avond ervoor een flesje water van beneden
gehaald, samen met een overheerlijk overkomende bak espresso uit de
bar. Op medicijngebied heb ik al besloten alles in te nemen wat me
voorgezet zou worden. Dat is op dat moment een eerste stap in de
overgave waar iedere patiënt in een ziekenhuis uiteindelijk toe
wordt gedwongen, maar die mij in de uiteindelijk vier dagen verblijf
nooit helemaal gelukt is.
Na het rondstrooien van de medicijnen
komt de gesmeerde machine die het Diak is, langzaam, maar onhoudbaar,
op gang. Heb je in de nacht nog een beetje de mogelijkheid om je
koning te voelen in je eigen gedachten, zodra de lichten aangaan en
weer uit, en weer aan, er mensen rond gaan lopen, ontbijtploegen
zonder toelichting formulieren uitdelen, artsen en co-assistenten aan
hun rondes beginnen en goddelijk goede verpleegsters met enig succes
proberen om de stemming erin te houden, dringt het tot je door dat je
helemaal niets voorstelt, dat je een vol bed bent dat ooit leeg moet
en dat je dan wel de reden bent dat er zoiets is als een ziekenhuis,
maar dat je niet echt in het centrum van de belangstelling staat.
Helemaal vanzelf komen de tranen weer
en ze gaan niet weg tot ver in de morgen. De kwelling van de
anonimiteit wordt me teveel. Het medelijden met verpleegster M, die
met mijn gegrien en meneer Reuks' gekreun en grove taal moet omgaan,
komt daarbij. Natuurlijk. Één grote poel van zelfmedelijden, maar
ik heb nooit gevraagd om daar in dat ziekenhuis te liggen met een
halve meter staal in mijn been. Ik zou op dit moment Alex van
Warmerdam uit zijn bed moeten bellen met een paar triviale vragen
over de heropvoerbaarheid van zijn teksten, nu Het Vervolg in
Maastricht zijn hit 'Kaatje is verdronken' uit de mottenballen heeft
gehaald. In plaats daarvan belt Stefan de Walle op het meest
ongeschikte moment, met de vraag of er dan toch nog niet één zin
geschrapt mag worden uit het interview dat ik met hem had voor TM.
Hij wil niets onaardigs zeggen over niemand. Dat doet hij ook niet,
bezweer ik hem, maar daar denkt hij anders over. Ik moet me inhouden
om hem niet de huid vol te schelden, maar maak hem wel duidelijk dat
ik op dit moment wel wat anders aan mijn hoofd heb dan een aanpassing
in de tekst. Dat Koos Terpstra echt geen moordeskader op hem af zal
sturen vanwege zijn beschrijving van de crisis bij het Ro theater,
tien jaar geleden.
Stefan is een schat, maar zijn
overtrokken angst voor reputatieschade maakt hem bijna doof voor mijn
repliek dat ik in het ziekenhuis lig bij te komen van een zware
operatie en een traumatisch ongeluk. Het is allemaal niet de
afleiding waar ik op zit te wachten. Dat is de fysiotherapeut wel. De
man die mij gaat helpen opstaan, en die er zo voor gaat zorgen dat ik
die middag nog naar huis mag. De uren kruipen voorbij tot zijn voor
elf uur geplande komst.
Iets in mij vermoedde natuurlijk al dat
mijn hoop op een spoedige terugkeer naar huis vals was. De gênante
wasbeurt die ik mezelf moet geven voor de fysio komt, doet de
zekerheid indalen. Ik ben niet alleen een patiënt, ik ben ook nog
eens vies, er steekt een slang uit waar ooit mijn trots lag en mijn
hele nabije omgeving ruikt naar een slechte dag in het verpleeghuis
waar mijn moeder momenteel haar laatste jaren slijt. Of het mijn
slang is, of de plastuit van meneer Reuks die inmiddels de macht over
zijn blaas weer terug heeft, ik weet het niet, maar het maakt me
misselijk.
Terwijl ik zo volop bezig ben deze
nieuwe dimensies in publieke ontluistering tot mij te laten
doordringen komt de fysio zich aan mij voorstellen. Een schat van een
jongen, en de eerste persoon die ik tegenkom sinds dinsdagavond, die
tijd voor me lijkt te hebben. Tijd die hij en ik hard nodig hebben,
want alleen al het overeind komen blijkt een helse beproeving. Het is
nog steeds mijn ambitie om hem te bewijzen dat ik wel degelijk op
eigen benen kan staan, maar ik zie mezelf nu vooral de hoofdrol
spelen in een shockdock over wantoestanden in een Russisch
gekkengesticht, waar broodmagere, met stront besmeurde politieke
gevangenen overeind gehouden worden door de zwaar getraumatiseerde
hulpverleners die hen in deze uithoek van Zuid Waziristan hebben
aangetroffen.
Ik slaag erin mijn gebroken been met
mijn goede been op te tillen en over de bedrand te krijgen. Met hulp
van het automatische bed (inderdaad een luxe in Zuid Waziristan) komt
mijn bovenlijf omhoog. Het opstaan op één been lukt en het gaan
zitten in de stoel naast het bed ook. Ik ben volledig overgeleverd
aan het geduld en de goede zorg van de fysiotherapeut en ik wil
eigenlijk nog maar één ding: niet omvallen als ik terug naar bed
ga. De ambitie om naar huis te kunnen, nog die middag, is met de
eerste poging om te staan en de bijna val die daarop volgde,
verdwenen. Maar morgen moet zeker lukken, zeg ik tegen de fysio. Hij
zegt: 'Daar gaan we voor, maar ik beloof niets.'
Daar zijn mensen in ziekenhuizen het
best in: niets beloven. Verpleegster M, met wie de fysio een beetje
staat te flirten terwijl ik lig bij te komen van mijn sta-poging,
belooft hem ook niet dat hij haar Hyves-vriendje mag worden.
Volgende keer: Generatieconflict
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk (6)
Gezondheid | gezondheid
|
01 November 2008 | 14:34:28
 |
De politie
Intermezzo
Geheugen is een raar ding. Of: onbegrijpelijk dat zoveel mensen
vertrouwen op zoiets ongrijpbaars als hun geheugen. De eerste vijf
stukjes, waarin ik de eerste 24 uur beschrijf van mijn leven sinds
meneer van D. (ik zijn naam en nummer inmiddels, en hij het mijne, maar
maakt daar geen gebruik van) mij raakte, zijn in een soort roes
geschreven. Ik was zo blij weer thuis te zijn, en wilde zo graag
iedereen vertellen wat ik had meegemaakt dat opschrijven me bijna
overkwam. In een roes schreef ik, pijn en duizeligheid verbijtend, en
gedreven door complimenten vanaf de zijlijn: dat het zo leuk was om te
lezen. Ik wilde nog daar en dan op dat moment door een grote uitgever
benaderd worden.
Interessante drug, morfine.
Daarna haalde de realiteit me in: het leven thuis, meer pijn dan
gevreesd en het eerste besef van wat er eigenlijk allemaal gebeurd was.
Voeg daarbij de angst dat mijn beschrijving van de lange uitzichtloze
dagen in het ziekenhuis nooit zo spannend en leuk zou kunnen zijn als
die van de gebeurtenisvolle eerste uren, en een compleet writers block
was geboren. Tenslotte moest ik ook nog een essay schrijven voor Nice
en die twee leken niet samen te gaan. Ik begon dingen te vergeten,
terwijl er nieuwe absurde dingen om te herinneren bij kwamen.
Ik heb dinsdag 21 oktober contact opgenomen met de politie, hun versie
gehoord, terwijl de agente in kwestie totaal niet benieuwd was naar
mijn verhaal, omdat het Proces Verbaal al klaar was, de schuldvraag
helder was beantwoord en het beoogde aantal getuigenverklaringen op
papier stond. Dat meneer van D. ogenblikkelijk gestopt was, en direct
eerste hulp had verleend, dat konden getuigen bevestigen. Toen ik
verbijsterd reageerde dat ik nooit een mannenstem gehoord heb, was de
agente kortaf. Dat ik toch niet helemaal bij was geweest. Vreemd, omdat
zij ook pas een kwartier nadat ik geraakt was arriveerden, tegelijk met
de ambulance.
Meneer van D zou ontdaan zijn over de aanrijding en mij dolgraag in het
ziekenhuis hebben willen opzoeken, vertelde de agente. Ze had hem
echter mijn gegevens niet gegeven omdat ik daar, terwijl ik op straat
lag te jubelen, geen toestemming voor zou hebben kunnen geven.
'Kunt u mijn gegevens nu dan aan hem geven, want ik wil de meneer graag
in de gelegenheid stellen mij zijn spijt te betuigen. Nu ben ik een
hele week boos geweest, terwijl er geen reden toe was.'
Ik gaf mijn nummer aan de agente en ik kreeg naam en nummer van meneer
van D. Volgens mij vroeg ik ook nog of ze nu dan meneer van D mijn
gegevens zouden geven, en zei ze iets van ja, maar een kleine week
later bleek dat ik dat zo niet had moeten begrijpen. Dat ze van de
politie alleen behulpzaam zouden zijn geweest als ik ter plekke, op
straat, toestemming had gegeven. Nu gingen ze dat zeker niet doen.
Ik moest dus meneer van D, de man die mijn leven op zijn minst
tijdelijk verwoest had, zelf gaan bellen, om hem in de gelegenheid te
stellen sorry te zeggen.
Ik zei: 'daar heb ik niet zoveel trek in.'
Zij: 'Dat snap ik, maar zo zijn de regels.'
Nu denk ik: 'Ik had slachtofferhulp moeten eisen, want dit is me even teveel.'
Er is veel veranderd sinds mijn eerste aanrijding in 1994. Toen kwamen
de agenten die mij geholpem hadden dezelfde dag nog langs om mij mijn
bril te brengen. Die was aan gort, maar ze snapten mijn emotionele
gehechtheid aan dat ding, en mijn behoefte om al mijn dierbare dingen
om me heen te hebben. Vanaf die julidag in 1994 heb ik agenten altijd
aardig gevonden, zelfs als ze me wel eens een boete of bekeuring gaven
(2x). Nu twijfel ik weer.
Erger nog: ik heb de verpleegster gebeld die mij eerste hulp verleende
en haar gevraagd wat haar herinnering was van het gedrag van meneer van
D. Zij vertelde dat de man eerst aan de overkant gestopt is, korte tijd
later toch zijn auto heeft geparkeerd, en daaarna het verkeer is gaan
regelen. Ze heeft hem niet bij mij in de buurt gezien. Dat is een
verhaal dat meer klopt met mijn eigen waarneming. Maar wat doen we er
verder aan? Is de man een hork die tegen de agenten een slap verhaalte
heeft opgehangen? Waarom nemen de agenten hier genoegen mee? Waarom
moet ik zelf de politie bellen, en heb ik niets van enige nazorg
gemerkt? Zelfs niet een kaartje van slachtofferhulp in mijn knuistjes
gekregen?
Afgelopen dinsdag heb ik de man een sms-je gestuurd, met daarin mijn
adres. Het is nu zaterdag. 1 november. Ik heb niets gehoord of gelezen.
Meneer van D gaat dus van mij horen. Via een advocaat. Die ik nog moet
regelen.
Dit soort dingen dus. En of je je dan even wilt herinneren hoe het, in
alle kleine details, ook alweer ging, die avond en nacht en morgen na
die Wagneriaanse scènes in de operatiekamer?
Volgend stuk: De ochtenden
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk (5)
Gezondheid | gezondheid
|
21 Oktober 2008 | 15:14:33
 |
Hefaistos' smidse
Woensdag 15 oktober 14:30 uur
Mijn playlist 'klassiek' begint voorin
het alfabet met het Brandenburger Concert Nr. 4 in G Majeur van
Johann Sebastian Bach. Ik luister er zelden naar, maar heb toch een
paar uur klassiek op de iPod staan voor het geval dat ik opeens
behoefte zou kunnen krijgen aan een canon in mijn leven. En laat ik
dan nu bedenken dat dat moment is gekomen.
Ze gaan een pin in mijn scheenbeen
zetten, die de twee stukken aan elkaar zal verbinden. Aan het
kuitbeen doen ze niks. Dat heelt vanzelf. Zeggen ze. Verder kan ik me
helemaal niets voorstellen bij de aankondiging. Ik ben alleen blij
dat er wat gaat gebeuren. Dat ik snel weer naar huis kan.
Minder blij ben ik met het vooruitzicht
van de plaatselijke verdoving. Zelfs bij de tandarts vind ik
plaatselijke verdoving eigenlijk al niets. Maak mij maar helemaal weg
en wek me drie dagen later, als alles over is, de zon schijnt en ik
met Suzanne op een terrasje in Goudargues zit.
Zoals mag blijken: ik en pijn zijn geen
.vriendjes, maar de praktijk in ziekenhuizen is er steeds meer één
van: mensen zo efficiënt mogelijk helpen en snel weer naar huis
sturen. Een algehele narcose is bovendien riskant, je bent maanden
later nog dizzy. Van een ziekenhuis word je bovendien ongelukkig, dus
hoe korter het verblijf, hoe beter. Helemaal mijn idee.
Ik kan me vinden in het nieuwe beleid.
Maar ik wil nog steeds niets meemaken wat ze met me gaan doen. Ik
kijk ook nooit naar Vinger aan de Pols of ER. Ik begrijp de
fascinatie van de mensen niet die afspraken afzeggen voor een uurtje
griezelen bij mislukkende operaties, kloppende, lillende ingewanden,
en precisienaalden langs een kwetsbare slagader. Mijn bewondering
voor de medische stand is enorm, maar het is hun werk, niet het
mijne.
Het Branderburger Concert Nummer 4 in G
Majeur maakt van de rijtoer door de gangen van het Diak een
uitzending van Weg van de Snelweg. Ik moet erom lachen, maar begin
ook steeds meer te twijfelen aan mijn keuze voor klassieke muziek. Ik
wilde iets ingewikkelds horen, zodat ik mijn gedachten meer kon laten
spelen met de modulaties en ritmeveranderingen van J.S. Bach dan met
de snij-acties van de chirurg. Ik dacht bovendien: laat ik iets nemen
waar ik niet nu al een hele speciale band mee heb, want het zou zonde
zijn om muziek waar ik heel veel mee heb, zoals Rufus Wainwright,
voorgoed te besmetten met het beeld van pijn en snijdende artsen.
Op dat moment ga ik er nog steeds van
uit dat ik met snijdende artsen te maken zal krijgen. Hoe naïef.
In de wachtkamer voor de OK slaat de
twijfel toe. Bach werkt me op de zenuwen, en wat als halverwege de
operatie ik die muziek echt niet meer aan kan horen? Ben ik onder het
mes, én heb ik kutmuziek op de oren. Ik weet trouwens ook niet hoe
lang het feest gaat duren. Heb ik genoeg aan een uurtje, of gaat het
allemaal langer duren? En ben ik tijdens de operatie wel in staat om
iets anders op te zetten? Moet ik niet nu het nog kan wat opzetten
dat ik goed vind? Ik besluit tot het laatste. Het wordt Bowie. Ik heb
daar zoveel muziek van op mijn iPod, daar kan best wel een barstje
in. En het mapje begint met het album “1.Outside”, en dat vind ik
dan wel mooi, ik heb er ook niet zo heel veel mee. Ik zet het klaar
als de laatste meters naar de OK worden ingezet.
De grap over de machine die 'Ping' doet
komt op. Iemand moet hem toch snappen? Maar nee. Ik zie wel allemaal
mooie jonge mensen om me heen. Aantrekkelijke vrouwen. Is het de
morfine? In combinatie met mijn algemene defaitisme kan die wonderen
doen, blijkt. Ik voel me soort van gelukkig. Ik spreek een van de
vrouwen, de volwassenste, aan en vraag of zij mijn chirurg zal zijn.
Ik babbel door en wil zeggen dat het zo goed is dat er steeds meer
vrouwelijke chirurgen komen, omdat mannelijke chirurgen zich altijd
zo misdragen op de werkvloer.
'Goedemiddag, ik ben dokter L, ik ga u
opereren.'
Stom van mij. De dertigjarige arts die
mij al eerder bezocht zal mijn beul zijn, net nu ik zoiets doms heb
gezegd. De vrouwen hebben allemaal een assistentenrol. De mannen
staan aan de knoppen. De anesthesist begint met verdoven. De
ruggenprik zal mij vanaf de navel totaal gevoelloos maken. Akls ik
toch iets voel, moet ik dat melden, maar zij zullen mij ook in de
gaten houden.
De chirurg vertelt zijn plan. Hij gaat
een metalen pen in mijn scheenbeen aanbrengen. 'We gaan binnen bij de
knie en brengen hem via het merg helemaal door naar beneden, waar we
hem aan het afgebroken stuk vast zullen maken.'
'Klinkt heftig'
'Dat is het ook, maar we doen dit
vaker.'
'Hier staan de monitoren, daarop kunt u
alles volgen.', zegt de mooie vrouw.
'Alsjeblieft niet!' roep ik. 'Ik wil er
niets van meemaken.'
Voel ik enige teleurstelling bij mijn
redders? Zijn ze beledigd dat ik hun prachtwerk niet wil volgen?
Het is opvallend hoe aardig patiënten
over het algemeen zijn tegenover verpleegsters, chirurgen, artsen,
wanneer ze eenmaal aan hun zorgen toevertrouwd zijn. Het lijkt bijna
bezwering. Ook ik merk dat ik bang ben om één van die druk bezette,
keihard werkende wonderdoeners ook maar één moment niet gelukkig te
zien. Het leidt tot overdreven aardig doen, met professionele
dankbaarheid beantwoord door de medicus in kwestie. Toevertrouwen is
dan misschien ook niet het goede woord: je bent overgeleverd en bang,
als patiënt. Ons gedrag lijkt meer op dat van gijzelaars in een
bezette ambassade. Zonder dat de artsen en andere
ziekenhuismedewerkers daar ook maar de geringste aanleiding toe
geven. Ze hebben het alleen zo verschrikkelijk druk, dat ze – hoe
graag ze dat ook willen – op geen enkele manier de patiënt kunnen
laten voelen dat ze er voor hém zijn.
'Sorry', zeg ik. 'Maar ik kan daar niet
tegen.'
'Geen probleem. We zorgen ervoor dat u
niets ziet.'
'En ik zet ook mijn walkman hard, want
ik wil niets horen. Ik hoop dat jullie daar geen last van hebben.'
De ruggenprik wordt toegediend. Ik merk
er even weinig van als destijds mijn eerste joint, denk ik, maar na
een paar minuten merk ik al niets meer van de handen van de arts die
mijn been aftasten.
Mijn onderhelft zakt weg. Mijn
bovenhelft ligt als gekruisigd op de operatietafel. Men sluit
stekkers op mij aan. Een machine zegt 'ping'. Ik voel dat ze het gips
eraf aan het hakken zijn, maar ik voel geen pijn. Go, boys, go.
Het gips is eraf. Ik vlieg, terwijl de
mannen aan mijn rukken en trekken. Ik hoef niet te kijken. Wat ben ik
blij met Bowie. Er wordt gesmeerd, getrokken, verlegd, en het kan me
allemaal niks schelen.
'It happens today
The damage today
They fall on today,
They've been on the outside
And I'll stand by you now.
Not tomorrow
It's happening now.'
Ik schiet vol. Ik lig met natte ogen
met een vol gemoed, gekruisigd op d de tafel en het geweld onderaan
mijn lijf neemt toe.
'It happens outside.
The music is outside.´
Rukken, trekken. 'Jongens laten jullie
mijn been zitten?' Ik lach en huil tegelijk.
Het geweld neemt iets af. Kennelijk
ligt het been goed. Ik hoef niet te kijken. Ze zijn klaar voor
onderwater.
'Something in our skies, something
in our blood'
Ik ruik opeens een brandlucht. Verbrand
haar? Barbecue!, stamel ik naar de anesthesist die ik vanuit mijn
ooghoek kan zien. Maar hij reageert niet. Alle concentratie is aan de
voorkant. Ik laat mijn grapje voor wat het is. Er staat iets te
gebeuren.
'Paddy will you carry me, I think
i've lost my way
I'm already five years older i'm
already in my grave'
Opeens is er een gecoördineerde actie.
Er worden twee palen naast me neergezet. Ze spannen er een groen
laken tussen. Het gaat nu echt beginnen.
'Poor soul, he never knew what hit
him.'
Hoor ik daar een boormachine? Iemand
lijkt een kussen te leggen op mijn buik. Ik voel druk op mijn
onderbuik. Moet mijn blaas leeg? De brandlucht neemt af. Veel gedoe
beneden. Weer rukken en trekken. 'Doen jullie wel een beetje kalm
aan, daar?' Roep ik in het luchtledige.
Dan begint het. Hamerslagen. Ijzer op
ijzer. En niet van dat halfzachte hamertje-tik werk, of een
overspannen huisvader die zijn De Waard -tent op wil zetten, maar
industriekwaliteit hameren. The chain gang is aan het werk. Mijn iPod
kan er niet tegenop.
Vergis ik mij, of zie ik dat er iemand
bovenop mij staat, en van daar af met enorme slagen die ijzeren staaf
mijn scheenbeen in aan het drijven is? Ik zie de hamer boven het
groene doek uitkomen. De slagen dreunen door mijn lijf.
'Moondust will cover you.
This chaos is killing me.'
Bowie is god. Sinds 1973 vertelde
iedere plaat die hij op zeker moment uitbracht precies wat ik op dat
moment wilde horen. En nou flikt hij het weer.
'I wanna be free.'
'bye bye love'
Hoe lang is een scheenbeen? Veertig,
vijftig centimeter? En nu de laatste centimeters. Het gebroken stuk.
Dat moet precies aansluiten. Ik voel een paar pogingen.
Dan wordt het rustiger. Maar de rust is
bedrieglijk. Ik zie de anesthesie-assistent naast me staan, wil iets
tegen henm zeggen, maar zie zijn volledig met bloed besmeurde hes, en
handschoenen. Dit zijn geen spetters, dit is een dag in het
abbattoir. Achter hem staat een instrumententafel. Prominent ligt
daar een Black&Decker accuboormachine, met grijs stof en bloed
besmeurd.
'There is no hell
Like an old hell'
Mijn humor is allang verdwenen. Ik wil
dat het stopt, maar we zijn nog maar pas begonnen. Heel het album
lang worden er nog meer ijzer op ijzer slagen uitgedeeld. Door mijn
voet heen, lijkt het wel, ik hoor krassen.
'All's well, 20th century
dies.'
'HOUDT HET DAN NOOIT OP?!' ik citeer
Roeland Fernhouts imitatie van Carice van Houten.
'We zijn bijna klaar.'
Dat mocht hoog tijd worden, want ik
begin steeds meer te voelen. Houdt die verdoving het wel zo lang vol?
Halverwege Alladdin Sane, het tweede
album van mijn Bowieverzameling, is het dan eindelijk gebeurd. Dit
heeft veel langer dan een uurtje geduurd, bedenk ik me. Pas als alles
gedaan is en de laatste bloedbesmeurde doeken in de afvalzakken
verdwijnen, valt het Brechtiaanse voordoek en zie ik dat mijn been in
een mooi drukverband is ingepakt. De artsen hebben het onderling over
de voor- en nadelen van een nieuwbouwplan. Iedereen ziet er dodelijk
vermoeid uit. Ik vraag of alles volgens plan is gegaan.
'Vanzelfsprekend' is het antwoord.
'We hebben een pen door het been
geslagen, en die zit prachtig vast.' legt de chirurg uit. 'Onderaan
zit een schroef. De verbinding daar is alleen wel kwetsbaar. Je mag
er de komende zes weken absoluut geen gewicht op hebben, want dat kan
de verbinding niet hebben. Sta je er wel op, breekt de verbinding, en
gaat je enkel stuk, en je kuitbeen ook. Dan heb je echte dubbele
beenbreuk en kunnen we het niet meer zo goed herstellen.'
Van weinig conversaties met artsen kan
ik me zoveel herinneren, maar het zal wel aan de speciale toestand
gelegen hebben, dat ik zijn woorden nu bijna letterlijk nog weet. Het
was immers zo dubbel, die boodschap. Het herstel kon beginnen, maar
het zou veel langer gaan duren.
'Operatie geslaagd, carrière
overleden.', zoiets.
Ik dank alle medewerkers hartgrondig en
gemeend. Dit was niet wat ik me bij een operatie voorstelde, maar er
was iets heel speciaals voor in de plaats gekomen...
Op de recovery loopt één heel erg
aardige verpleegster, bijgestaan door een ander die heen en weer
loopt tussen hier en ergens anders. Naast me ligt een man die alleen
maar Spaans blijkt te kunnen. Hij kermt de hele tijd, nu de verdoving
wat lijkt uit te werken. De verpleegster probeert hem in het Engels
gerust te stellen, maar alleen haar stemgeluid blijkt niet voldoende.
Wanneer ze hem vertelt dat ze een katheter moet plaatsen, begrijpt
hij haar niet. De verpleegster weet raad. Ze heeft een collega die
een jaar in Barcelona heeft gewerkt. En die vast weet wat katheter in
het Spaans betekent.
'Aha, una sonda por urinar. Dank je.'
Beide verpleegsters zijn blij met deze
ontdekking en met die zelfde blijdschap melden ze de Spanjaard dat ze
una sonda por urinar gaan aanbrengen. Het effect is
desastreus. De man gilt het uit, jankt, smeekt ze om het niet te
doen. Dat hij er alles voor over heeft, als ze maar van zijn geslacht
afblijven. Het gaat door tot voorbij het moment waarop het ding is
aangebracht. Het wordt rustiger. Het kermen is zachtjes.
Dan komt de verpleegster bij mij. Ze
kijkt me aan met haar veelbetekenende blik. Ik moet eraan geloven. Nu
ja. Ik heb me overgegeven. Hurt me, baby. Erger kan altijd nog, aldus
mijn grote vriend Schopenhauer.
Dan blijkt hij er al in te zitten. Was
mijn piempje gisteren onzichtbaar, nu voel ik hem niet eens. Dat valt
mee. Zolang ik die aandrang maar kwijt ben. En laat hem voorlopig
maar zitten.
Ik wil Suzanne. Nu. Maar ik moet nog
zeker een half uur wachten tot de verpleegsters van afdeling Algemene
Chirurgie tijd hebben om mij te halen.
Niets kan mij verder nog schelen.
Eenmaal terug op zaal vind ik het geperste vleesproduct met spinazie
en aardappelkroketachtigen zowaar lekker.
Volgende keer: De Politie
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk (4)
Gezondheid | gezondheid
|
21 Oktober 2008 | 12:06:44
 |
Halve liter (intermezzo)
Woensdag 15 oktober 2008, overdag.
De dokter die mij om half negen een
glaasje water komt brengen, neemt ook de boodschap mee dat wegens
drukte mijn spoedoperatie niet meer die ochtend, maar vermoedelijk
pas helemaal aan het eind van de middag zal plaatsvinden. 'We moeten
hem immers tussen de reguliere planning door doen.' Op mijn
waarschijnlijk opnieuw snikkende reactie – ik vergeet langzaam maar
zeker hoeveel ik heb gehuild – meldt hij wel dat ze zullen proberen
om die operatie te vervroegen, 'zodra er een gaatje is.'
Dezelfde boodschap krijgt de mevrouw
tegenover mij, 81 jaar met gebroken heup en een umlaut op haar naam
die helaas niet kan worden afgedrukt door de MS DOS-stickerprinter
van het Diak. Dat we in de loop van de dagen die volgen daar een
gezellig 'Umlaut? NEE! Ümlaut!'-feestje van zullen maken, weet ik
dan nog niet. Ik moet immers eerst zien te verwerken dat de boodschap
van gisteren, dat ik na de spoedoperatie waarschijnlijk nog diezelfde
middag naar huis zou kunnen, in rook is opgegaan. Er wacht mij nog
een hele dag, een operatie, ergens aan het eind van de middag, en een
nacht in die vreselijke zaal. En dan diezelfde pijnen als die Rasta
had. Als iemand mij de inslag van een komeet had voorspeld, was ik
dankbaar geweest.
Verpleegster M is een schat. De
personificatie van het woord 'kordaat': razend snel, efficiënt en
altijd klaar met een liefdevol grapje. Na de nare boodschap van de
arts neemt ze een paar minuten de tijd om bij me te komen zitten en
me even te laten grienen. Kostbare minuten, want er wachten
tientallen patiënten op haar ervaren zorg. De belletjes, piepers en
'zuster!, zuster!'-kreten gaan door op de rest van de afdeling. Maar
zij is onverstoorbaar. Het zijn overigens wel zo'n beetje de enige
minuten die ik met een verpleegster doorbreng, waarbij het alleen om
aandacht voor mij gaat. De andere gesprekjes zijn tijdens het spoelen
van pispotten, tijdens het bloeddruk-meten of bloedprikken, als er
een kussen verlegd moet worden.
'Quality Time' is er niet. Gewone tijd
eigenlijk ook niet. Maar als ik vraag of ze het allemaal nog wel een
beetje trekken, is het antwoord steevast: het gaat, maar we hebben
een paar uitvallers en dan is het dubbelhard werken.' Hun ogen, hun
gehaaste passen door de gang, de lange wachttijden wanneer je op het
belletje drukt, vertellen een ander verhaal. Een anonieme zuster
later die week ook: het hele Diak loopt op zijn tandvlees.
Mijn plasprobleem is er nog. Zij weet
zo één, twee, drie ook geen oplossing. Ze weet wel dat mijn blaas
leeg moet zijn voor de operatie. Via een echo meet ze de inhoud. Ze
meldt me dat er toch zeker een halve liter uit moet voor ze gaan
snijden.
'Anders moeten we andere maatregelen
nemen.', zegt ze met een betekenisvolle glimlach.
Een katheter! Dat nooit! Mijn plasbuis
is een uitgang. Zo istie gemaakt, daar istie voor ontworpen en daar
gaan we niet mee sollen. Daar gaat helemaal niemand een halve
centimeter dikke slang in steken met een ballonnetje aan het eind.
Genoeg voor vandaag, voor altijd! Dan maar dood!
Ik glimlach terug en zeg: 'Dat
motiveert wel.'
'Heb je wat afleiding tijdens het
wachten.'
Daar heeft ze best een punt mee.
Een halve liter. Dat is meer dan een
Grolsch beugelfles. Die nacht heb ik net 5cc weten te produceren, en
nu is het daglicht. Lopen er op het moment dat ik de tuit pak
gehoofddoekte schoonmaaksters om mijn bed, en als ik een volgende
poging waag zwarte bedopmakers. Wat mij weer een aardig beeld geeft
van de rolverdeling: de verpleegsters zijn allemaal blond tot
donkerblond en seksloos op een manier waarop alleen christelijke
meisjes dat kunnen zijn. Het schoonmaakpersoneel is moslim, vrouw en
schaamt zich de hele tijd voor het verblijf op de zaal met halfnaakte
mannen met plastuit, ruftende en boerende vrouwen van stand en ander
sociaal ongemak. De mensen die de bedden afhalen en weer opmaken,
zijn zwart, lachen de hele tijd vriendelijk en zien er uit als
Afrikaanse werkstudenten. De artsen zijn allemaal onder de dertig en
man.
Mijn telefoon gaat. Een man aan de lijn
die ik gisteren nog achter de broek had gezeten omdat ik meer info
nodig had voor een schrijfklus. Totaal onvoorbereid krijgt hij mijn
betraande, en door morfine totaal verslapte stem te horen die iets
mompelt van 'ongeluk gehad, sorry, ik kan er nu even niet over
praten, maar dat interview gaat even niet door.'
'?'
'Bel je baas maar' en ik sluit af.
Dan besef ik dat zijn baas helemaal van
niets weet, en dat ik misschien wel de opdracht, waar ik samen met
Suzanne aan werk, in gevaar heb gebracht.
Suzanne komt, met iBook en de VN en de
Volkskrant en het Parool en de NRC. Samen de klap van de vertraging
verwerken is fijn. Ze heeft het mobiele nummer van Twitter, zodat ik
nu kan gaan zenden. Ontvangen kan sinds deze zomer niet meer, dus ik
zal als een ver amateurradiostation vanaf de frontlijjn gaan
berichten wat er met mij in het Diak gebeurt. Dat vrolijkt me op.
Suzanne meldt veel hartverwarmende
reacties. Van vrienden, en van Deining, het journalisten en
communicatieprofsnetwerk waar we lid van zijn. Dat doet me
verschrikkelijk goed. Het ontroert me. Had ik een halve liter tranen
moeten leveren voor de operatie, was ik nu klaar geweest.
De dag sleept zich voort en Suzanne
werkt zich uit de naad. Er moeten afspraken worden afgezegd,
opdrachtgevers gebeld en gemaild. Vrijdag naar die grote
opdrachtgever voor dat leuke boekje over een kunstwerk: ik moet het
laten gaan. Alex van Warmerdam moet ik morgen afbellen. De
mogelijkheid om zaterdag hoe dan ook naar de première van De Grote
Verkiezingsshow van het Zuidelijk Toneel te gaan, wil ik nog steeds
niet uitsluiten. Er hebben zich al mensen gemeld die me willen
rijden. Niet meer kunnen recenseren? Ik moet er niet aan denken.
2 deciliter. Zuster M is niet te
vermurwen, maar de operatie is nog ver weg. Ik houd vol. Een uur
later is er weer anderhalve deciliter bij. Dat schiet op, maar zuster
M kijkt nog niet tevreden. 'Nog minstens zoveel'. Ik tuit dapper
door. Dan: goed nieuws. Ik kan om half drie al onder het mes.
Gemengde gevoelens ook. Minder tijd om de benodigde hoeveelheid plas
in de tuit te krijgen. De druk stijgt. Mevrouw Ümlaut aan de
overkant wordt ook eerder geholpen, maar later dan ik. Ik ben
kennelijk spoedeisender dan haar gebroken heup. Ik voel een kleine
concurrentienijd van de overkant komen.
Om kwart over één staat de score op
45 centiliter. Zuster M kijkt me schattend aan. Lacht. Pauze. Dan:
'Ok. Voor deze keer.'
Ik neem me voor om tijdens de operatie,
die met een ruggenprik zal plaatsvinden, heel hard het hoofdstukje
'klassiek' van mijn iPod leeg te spelen. Bij wijze van experiment.
Volgende keer: Hefaistos' smidse
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk (3)
Gezondheid | gezondheid
|
20 Oktober 2008 | 14:49:55
 |
Rasta met megapenis
Woensdag 15 oktober 2008, 01:30u
Morfine met hoorcolleges van Maarten
van Rossem op de iPod. Er is geen betere combi denkbaar. Hij heeft me
in ieder geval de eerste nacht in de vierpersoonskamer op de Algemene
Chirurgie van het Diak heen geholpen. Maarten van Rossem in het
basispakket, dus. En Suzanne, natuurlijk, maar die bewaar ik
voorlopig liever voor mezelf.
Suzanne is de iPod gaan halen, nadat ze
schijnbaar uren bezig was geweest met de briefing. Ik lag op de
vierpersoonskamer in mijn eentje te bekomen van de schok dat ik op
een vierpersoonskamer lag. In mijn toen al door de nodige morfine en
best nog wat traanafval omfloerste blik leek die kamer heel erg
shabby. Vergeelde, rafelige gordijnen, vale verlichting en vage
mensen in bedden.
'Daar ligt een oude man, daar een
mevrouw en naast je ligt een jonge man.' Ik zwaai wat, en daarmee is
het voorstelrondje klaar.
'Ik moet erg nodig naar de wc',
fluister ik tegen de zuster. 'Maar ik weet niet hoe dat moet.'
'U krijgt deze plastuit.'
'Maar ik kan niet zomaar in het
openbaar ...'
'Gewoon ontspannen, dan gaat het
vanzelf.'
Nee dus. De heftige aandrang leidt
nergens toe. Ook niet met de gordijnen rond mijn bed dicht. Mijn
vader had dat probleem, ik heb het geërfd. In openbare gelegenheden
wacht ik net zo lang tot één van de schaarse besloten toiletten
vrijkomt. Alles beter dan het rijtje veel te dicht naast elkaar
hangende urinoirs, of de zo hip bedoelde goot, die je ook nog wel
eens aantreft. Soms maak ik de vergissing wel, als ik het idee heb
dat er de eerste vijf minuten niemand binnen zal komen. Heb ik het
ding net in de aanslag, komt er iets mannelijks binnen dat het
apparaat in één beweging de broek uit zwiept en vervolgens uitbarst
in vrolijk geklater. Vaak gaat zo'n zelfbewust type dan ook nog vlak
naast he staan, want, hé, we zijn geen mietjes hier.
Mijn poging stokt. Wat er nog aan
hangt, blijft hangen. Het zweet breekt me uit, en als ik extra druk
wil zetten komt er slechts lucht. Een klein, wat benepen pruttelend
geluidje, geheel in lijn met mijn emotionele toestand van dat moment.
Het waterleidingbedrijf naast me maalt daar niet om, dat staat
ruftend en zuchtend naast me te genieten van het leeglopende
stuwmeer.
'Hoe lang heeft u die aandoening al?'
vraagt de zuster.
Aandoening?! Het is geen ziekte,
mevrouw, alleen een psychisch probleempje dat in de meeste situaties
eenvoudig te overwinnen is. Maar hier dus niet. Met de gordijnen
dicht wurm ik de plastuit tussen mijn benen. Op zich al een enorme
klus, want been links is gegipst, en loodzwaar, en ook al doet de
morfine zijn werk, ik voel nog steeds pijn, al is het maar de
herinnering eraan. Been twee gaat voorzichtig opzij, de tuit wring ik
er tussen, de zuster heeft me geholpen met de onderbroek.
Wie dat al genoeg decorumverlies voor
één avond vindt, leest hier niet verder.
Want daar, met de onderbroek op de
pijnlijke knieën, de plastuit ertussen, dient het orgaan in de
opening geduwd te worden.
Maar er valt niets te duwen. Dingetje
is weg. Mijn anders best imposante deel is er vandoor. Niets meer te
zien van mijn ego, dat toch best wat vrouwen in beroering heeft weten
te brengen, de afgelopen decennia. Van schrik is het verschrompeld tot een minuscuul stukje gerimpeld slap vlees, ergens
tussen vele plooien van de rest van mijn mannelijkheid. Ik moet nu
dus niet alleen de ontgoocheling overwinnen, maar ook het kleinste
piempje ever de grote sprong laten maken naar de inmiddels
gigantische opening van de plastuit.
Ik geef het op.
Suzanne komt binnen. Ze is midden in de
nacht heen en weer geweest naar huis. Iets waarover ik me best zorgen
maakte, want de route tussen Diakonessenhuis en ons huis is dan wel
niet lang, hij gaat wel door donker en leeg gebied, langs plekken met
hangjeugd en wat al niet meer. Maar hoezeer ik me daar ook druk over
wil maken, de morfine overdekt alles met een dikke laag
gelijkmoedigheid, zeker nadat ik nog een extra shot heb gevraagd,
omdat er weer een zweempje pijn opkwam, na mijn eerste plaspoging.
Suzanne heeft hard gewerkt. De oplader
voor mijn Neo Freerunner, de oplader voor de iPod. Mijn iPod, haar
iPod, een boek van Douwe Draaisma en nog wat spullen. Het nog op geen
enkele manier tot het digitale tijdperk doorgedrongen ziekenhuis
veert op van web 0.05 tot web 0.06, maar mijn freerunner vindt geen
enkel toegankelijk wifi-punt. Geen communicatie, dat moeten we morgen
eens uit gaan zoeken. Het mobiele nummer van Twitter zal misschien
uitkomst bieden.
Belangrijker voor nu is: ze heeft de
hoorcolleges van Maarten van Rossem van iTunes gehaald. De gedachte
aan muziek wekt me op dit moment niet op, en de gelijkmatige ironie
van Van Rossem lijkt ideaal. Suzanne heeft ook mails gestuurd aan
vrienden en bekenden. De eerste reacties stromen binnen en zijn
hartverwarmend. Voor mij, maar ook voor haar. Ontroerend is dat. Ik
ben dolblij met haar. Prijs me gelukkig.
Ze gaat weer, want ik moet zien te
slapen en te plassen, en zij moet ook verder.
Ik blijf alleen achter in mijn stoffen
hokje van drie bij drie. Zet Van Rossem op en er daalt gelukzaligheid
neer. De rest van de kamer is relatief stil, al wordt er wat gezucht
en gesteund, hier en daar. Ik zet de iPod zo zacht mogelijk, want ik
wil geen geluidsoverlast veroorzaken. Het gaat goed. Ik dommel,
ontspan wat en doe vervolgens halverwege wereldoorlog 1 een nieuwe
plastuitpoging. Het lijkt te gaan lukken. Er komt een druppel. Maar
er komt meer. Het druk zetten levert een luidruchtige luchtstroom op.
Misschien niet eens heel luidruchtig, maar hoorbaar. Ik probeer het
zo hoopvolle begin van de plas voort te zetten. Dan maar met wind. Ik
hoorde aan de overkant ook al een hele vieze, en de meneer links
boert hard.
Maar dan begint het gewoel rechts van
mij. Gekreun. Gedraai. Een enorme scheet. Getergd kermen. Ik hoor een
plastuit en vervolgens het omineuze, holle geklater van een
zelfbewuste man, die zelfs onder hevige pijnen zijn territorriumdrift
de vrije teugel kan laten. Het geluid duurt voort. Hier gaat een
dikke liter. Hij drukt op het belletje. Kermt om een zuster. Ik hoor
een zwaar Surinaams accent en wanneer ik via een kier in het gordijn
naar hem kijk zie ik dat hij een minstens twee meter lange man is,
met enorme Rastakrullen en spierbundels van staalkabel. Eén plastuit
bleek niet voldoende. Zuster brengt een tweede en die gaat ook vol.
Zuster gaat ze legen. Wanneer ze naar buiten gaat neemt ze het
laatste restje zelfvertrouwen mee dat mij nog restte.
Tegen zoveel mannelijkheid ben ik niet
opgewassen, zelfs niet als hij later die nacht zulke verschrikkelijke
pijnen krijgt dat hij de hele afdeling bij elkaar schreeuwt en
doktoren uit alle hoeken van het ziekenhuis toesnellen om hem te
kalmeren en iets aan zijn pijn te doen.
Ik begin me zorgen te maken. Deze man
had al een operatie ondergaan, en kreeg toch nog zulke pijn. Dat
staat mij voor morgen toch niet te wachten?
Maar zelfs dat is vooral een gedachte.
Morfine en Maarten van Rossem, inmiddels dik in de koude oorlog
aanbeland, doen hun werk. Ik slaap niet echt, hoor nog hoe de oude
man tegenover mij geholpen moet worden aan pijnklachten, en merk iets
van onrust en rennend personeel wanneer een oude man gewapend met een
schaar de afdeling onveilig maakt. En verder een voortdurend concert
van zuchten, winden, boeren en klaterend water in de zaal. Waarbij ik
alle partijen meeblaas, behalve die laatste.
Bij het begin van de eerste golfoorlog
zet ik Van Rossem uit. Ik dommel wat. Zonder werkelijk besef van tijd
word ik wakker wanneer een verpleegster in de nog donkere slaapzaal
bij iedereen een borrelglaasje met pillen neerzet en de kamer weer
verlaat voor ik kan vragen wat er de bedoeling van is, of dat ik een
glaasje water kan hebben om ze in te nemen, en of die pillen wel voor
mij zijn. Ik heb immers al morfine?
Geen gehoor, ook niet als later iemand
langskomt met een bloeddrukmeter voor de Rasta. Zij kan de vragen
niet beantwoorden, of wil dat niet. Weg is ze. De lichten gaan aan,
er wordt ontbijt bezorgd en een formulier neergelegd. Wat moet ik
daarmee? En kan ik water krijgen? Invullen en voor water wordt
gezorgd. Zegt deze.
Om acht uur doet de arts zijn ronde met
twee co-assistenten en een verpleegster, maar zonder water. De Rasta mag naar huis. De
man tegenover mij mag naar huis. Mevrouw blijft liggen. De arts
vraagt hoe ik me voel. Ik zeg ik weet het niet. Ik weet niet wat de
bedoeling is, ik weet niet wat ik met die pillen moet, en wat moet ik
met dat formulier, want de mevrouw die het uitdeelde is al twee keer
heel chagrijnig langs geweest met de vraag of ik er nou nóg niet
naar gekeken had. En ik kan niet plassen.
Ik barst in snikken uit voor een breed
publiek van artsen die allemaal niet ouder dan 25 lijken. Welkom in
de ijzeren discipline van het ziekenhuis. Ik moet me overgeven, maar
ik weiger. Het lunch en dinerformulier vul ik in. Er staan
verschrikkelijke gerechten op, maar wat moet dat moet. En ik moet
nuchter blijven. Want vandaag word ik hopelijk heel snel geopereerd,
mag ik naar huis en kan ik de hele nachtmerrie achter me laten.
Vervolg: Halve liter
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk (2)
Gezondheid | gezondheid
|
19 Oktober 2008 | 19:33:54
 |
Jungle boek
Utrecht, 14 oktober 2008, 20:20 uur.
Over ambulancehumor nog even dit. Toen
ik liggend in de ambulance op weg was de plek van mijn ongeluk naar
het Diakonessenhuis vertelde ik kort over het eerdere ongeluk dat ik
had gehad: die dronken brommerbejaarde met een overbeladen Puch Maxi
zonder remmen die links afsloeg op het fietspad waar ik hem
rechtdoor tegenkwam.
'Er zit wel ontwikkeling in', merkte
het duo scherp op. 'Eerst een brommer, nu een auto...?' 'Ik zou maar
eens goed uitkijken voor vrachtauto's in de toekomst.' 'Of trams'.
De dingen waar je allemaal om lachen
moet in een ambulance. Natuurlijk, net als chirurgen en verpleegsters
hebben ook ambulancemedewerkers een uitlaatklep nodig, maar die moet
wel onderling blijven. Dat deel je niet met de zoveelste patiënt op
de brancard, ook al heb je er al een dienst van 12 uur en drie dampende lijken
op zitten. Maar voor mij geldt ook: niet te joviaal doen met die
mensen aan wie je bent overgeleverd. Net als met taxichauffeurs. Geen
gesprek mee aanknopen. 'Leuke buurt, hè?' 'Nou, breek me de bek niet
open.' En dan begint het gelazer. Stap je politiek en sociaal
gebroken op je bestemming uit.
Speaking of which: ik was dus met een
extreem pijnlijk gebroken been op weg naar het Diakonessenhuis in
Utrecht. Geen zwaailicht of sirene, zoals de vorige keer, want ik was
bij kennis, had al een half uur op straat op ze liggen wachten omdat
ze de verkeerde kant uit waren gestuurd en bloedde niet, althans niet
voordat ze mij dat infuus een beetje onhandig in de arm had gestoken.
. Jammer, dat van die sirene, maar dat was de enige nog enigszins
zinnige gedachte die ik me van het ritje van een paar minuten kan
herinneren.
Engelen zijn het overigens, allemaal.
Laat dat boven alles duidelijk zijn. Onderbetaalde, overbelaste,
uitgeknepen en ondergewaardeerde engelen, dat wel.
Het volgende beeld was dat van een
loket. Werkelijk. Of ik mijn verzekeringspasje kon laten zien. Stel
je voor. Aanrijding met beenbreuk en doorrijdende dader. Op de koude
straat wachten op een ambulance. Met verschrikkelijke pijnen op een
brancard worden gehesen, weer eruit op de poli en dan eerst moeten
stoppen bij een loket. Ik wilde alleen maar geholpen worden. Een
geweldige verdoving krijgen, Suzanne zien en dan weg. Maar nu moest
ik eerst overal in mijn zakken zoeken naar mijn portemonnee, voor ik
door mocht. Nu ja, ik had het pasje ook al aan de ambulancemensen
moeten laten zien en de mevrouw achter het loket zag er niet uit of
er met haar te spotten viel. Dat deed niemand daar, dus ik ook niet.
Volgde een lange gang, met
voorbijglijdende tl-verlichting. 'Het lijkt de trailer van Six Feet
Under wel', grapte ik, 'Maar dan zonder dat labeltje aan mijn grote
teen.' Niemand lachte. Ik ook niet, maar ik was nu eenmaal op een
grapstand en zolang ik niet bewoog in mijn opblaasspalk slaagde ik er
werkelijk in om mezelf het idee te geven dat ik er het beste van aan
het maken was.
Een kamertje van het formaat bezemkast
plus. Ik wordt aangesloten op hartbewaking, ademcontrole, bloeddruk
en achter mij begint een machine 'piep' te zeggen, wat mij weer op
die briljante scene uit Monty Pythons 'Meaning of Life' brengt, maar
niemand lijkt die film gezien te hebben, of ook maar iets te snappen
van mijn olijk bedoelde opmerking: 'Ha, jullie hebben de machine die
'ping' zegt.'
Er kwam een acuut einde aan mijn humor
toen de arts, dan wel verpleegkundige, zekerheid wilde krijgen over
de vraag of mijn been nu gebroken was, en zo ja, waar dan precies. Ik
had nog zo gewaarschuwd om er van af te blijven, maar men zette
door. De spalk ging er af en het tasten begon, tegelijk met mijn
brullen. Ze zochten niet verder, maar mompelden iets als: 'Geen
laesie van de huid, maar wel alle symptomen. We moeten eerst een foto
hebben.' Inderdaad, jongens en meisjes, gewoon afblijven en wachten.
Dan verdoven en een foto nemen. Boel lassen en mij weer naar huis
sturen.
Suzanne komt binnen en het huilen
begint. Bij mij, bij haar. De mensen laten ons even alleen. Uit
discretie, maar ook omdat er nog meer te doen is. Later vertelde een
aardige verpleegster mij dat het een ongelofelijk gekkenhuis was, die
dinsdagavond.
Ik klaag over pijn, ik gil het
eigenlijk nog steeds uit en ook Suzanne smeekt de
verpleegster/arts/whatever om iets sterks tegen de pijn te geven. 'We
hebben iets gegeven', zegt ze. Maar dat werkte dus niet, kan ik haar
verzekeren.
Ze kijkt hulpeloos, vermoeid en streng
terug.
Suzanne huilt, ik kerm.
'Kunt u geen morfine geven?'
'Ik zorg voor iets dat ook goed is.'
'Maar er gaat toch niets boven
morfine?' Suzanne zegt het een beetje lacherig door de tranen heen.
'Ik heb dat een keer gehad en heb er alleen maar goede herinneringen
aan.'
Ze refereert aan die periode, nog niet
eens zolang geleden, dat we kinderen wilden krijgen en dat alleen
mogelijk zou kunnen zijn als ik in een erg op dit kamertje gelijkend
hok mijzelf zou aftrekken in een klein potje en ze bij haar met een
gigantische naald door de schaamlippen een paar eicellen uit haar
eierstok zouden halen. De eerste keer was onverdoofd en hel voor ons
allebei, de latere keren, met morfine, was het alleen nog maar een
hel voor mij, naast haar. Zelf lag Suzanne met een big smile naar de
monitor te kijken waarop het verwoestende werk van de 30
centimeternaald te volgen was. Nu zou ik eens zo'n smile kunnen
krijgen en ik verlangde ernaar.
Maar de vrouw kijkt Suzanne
onderzoekend aan. Ik denk: 'Nu krijg ik nooit morfine, want zij denkt
dat mijn vrouw een junk is. Dank je wel, Suzanne.' En inderdaad.
Geen morfine, maar iets anders. Later. Eerst moet er nog van alles
gebeuren, zoals al mijn bovenkleren uit. In deze ontluisterende
toestand laten ze ons alleen. Langdurig. Tot er een foto kan worden
genomen.
Het hok waarin ik lig is klein,
gloeiend heet en volgestopt met spullen. Dit is een kast, geen echte
diagnosekamer, toch? Maar ja. Ze hebben een machine die 'ping' zegt
en er hangt iets ter afleiding aan het plafond. Mowgli in de armen
van die grote beer. Jungle boek. Ook aan de muur hangt Mowgli. Later,
bij de receptie: Mowgli. In de gipskamer: Balou. De platen laten zien
wanneer er voor het laatst een stagiaire patiëntenwelzijn een
onderzoekje heeft kunnen doen. Ergens in de sixties.
'Het is hier wel helemaal op kinderen
afgesteld, hè?' Het is niet gek dat dat soort dingen ons meer
opvallen sinds dat avontuur met die naalden niet het beoogde
resultaat opleverde. 'Alsof volwassenen geen afleiding nodig hebben,
als ze hier liggen', val ik Suzanne bij. 'Het zou zelfs pijnstillend
kunnen werken om kunst of iets anders moois te hebben om naar te
kijken, is aangetoond.'
We geven elkaar weer eens zaligmakend
gelijk. Ook over de totale zinloosheid van iets moois in deze
bezemkast. Vormgevingstechnisch is dit de beroerdste plek waar ik
ooit geweest ben. Minuten worden kwartieren, een uur, nog meer. Een
enkele opleving van hoop als er weer geluid klinkt achter het
gordijn, in de gang, maar er zijn hier meer mensen die hulp nodig
hebben.
Zuster komt langs. Met een spuit zonder
morfine. 'Laat dit even inwerken, en dan gaan we een foto maken.' Ik:
'Dat moet dan zeker nog een uur duren, want voor zo'n pijnstiller dat
wat ik voel heeft gestild, zijn we een uur verder.' Maar nee. Een
paar minuten later komt een lieve mevrouw van de
ziekenvervoersvrijwilligers mij halen. Six feet under, aflevering
twee. Halverwege de route word ik even geparkeerd. Er staat een file
voor de fotokamer en ik blijk te staan naast de open deur van wat ik
dik een uur later zal herkennen als de gipskamer. Iemand daarbinnen
kreunt en gilt. Een grote, volwassen man, zo te horen, omgeven door
sussende en huilende familieleden.
De tijd kruipt voort, de gang is vol,
ik sta in de weg, grap wat sorry's en onderga de traagste minuten
ooit. Ik voel de zojuist toegediende pijnstiller nog niet aanslaan.
Dan mag ik. De doka in. Of Suzanne wil helpen, want er is iemand
nodig voor het vasthouden van mijn benen terwijl er loden platen
onder mijn been geschoven worden. Ik roep: 'Maar de verdoving werkt
niet. Kunnen we niet wachten, of iets zwaarders nemen?'
'Wat heb je gekregen?'
Ik weet het niet, hij noemt wat namen,
en ook Suzanne weet het niet.
'Staat dat niet op het briefje?'
'Nee. Nu ja, Het zal wel even pijn
doen, maar we doen het heel voorzichtig.'
We. Dat betekent niet het
pluralis medicalis, maar vertelt dat hij Suzanne medeplichtig heeft
gemaakt. Ze is hier niet voor opgeleid, weet niet waar ze me vast
moet houden en is hoe dan ook emotioneel op dit moment zo van haar
water dat ik nog geen suikerklontje aan haar zorgen zou
toevertrouwen. Maar nu is ze mijn enige hoop op een zo pijnloos
mogelijke fotosessie. En dan gaat het dus mis. Nadat het geschuif met
platen en het nemen van foto's redelijk is verlopen en ik Suzanne
vooral niet wilde compromitteren door haar optreden als pijnlijk te
ervaren, stoot iets of iemand tegen mijn linkervoet. 'Oeps, sorry.'
Ik gil het uit. En dan hebben we het over gillen in het kwadraat. Ik
vervloek alles en iedereen en maak er een emotionele janboel van.
Suzanne huilt, de fotograaf zit met de handen in het haar, want ik
moet ook nog terug de brancard op. Dat is me echt teveel, maar er
wachten nog meer mensen, en het is trouwens hoe dan ook aardig laat
aan het worden. Decibelmeters in het rood.
Ik keer gillend en huilend langs de
gipskamer terug naar de bezemkast. De gipskamer was immers bezet, en
ze moesten nog naar de foto's kijken. Inmiddels was al duidelijk dat
ik te laat was binnengekomen om mijn spoedoperatie nog werkelijk op
dezelfde dag te laten plaatsvinden. Dat zou nu als eerste de volgende
ochtend zijn. Zeiden ze. Opnieuw lang wachten, een half uur, meer. De
pijn zakt iets, zolang ik maar niet hoef te bewegen. Dan: Morfine.
Eindelijk. Waarom nu ineens wel? Omdat de operatie wordt uitgesteld,
werd mij vijf dagen later uitgelegd door de weekendzuster op de
afdeling algemene chirurgie waar ik vier nachten zou gaan
doorbrengen.
Maar dat wist ik toen allemaal nog
niet. Ik wist alleen dat mij een nacht wachtte, maar dan in ieder
geval een verdoofde nacht. Een half uur later voelde het gips aan als
een warm bad. De morfine werkte, ik kwam iets tot rust. Nu alleen nog
wachten op de uitslag van de foto en nieuws over verdere
ontwikkelingen.
De arts kwam tegen kwart over elf. Een
dubbele beenbreuk, zei hij, laag in het scheenbeen, hoog in het
kuitbeen. Aardig gecompliceerd, maar herstelbaar. Morgen zou ik zo
snel mogelijk aan de beurt zijn, en hoe lang het herstel zou gaan
duren kon hij moeilijk zeggen. Minimaal zes weken. Maar ik zou
waarschijnlijk morgen ook weer naar huis kunnen. Onder de huidige
omstandigheden was alleen dat vooruitzicht voldoende om me een beetje
te kalmeren. Samen met de morfine en met Suzanne aan mijn zijde.
O, ja. Al die tijd moest ik ook nog
verschrikkelijk nodig plassen.
Volgende keer: Rasta met megapenis.
|
|
|
 |
 Schaaps Beenbreuk
Gezondheid | gezondheid
|
19 Oktober 2008 | 15:22:42
 |
Hij wilde gewoon doorrijden
Dinsdag 14 oktober 2008, rond half
acht.
De verbijstering was er het eerst. Hij
gaat rijden. Zomaar. Rijdt-ie nou? En stopt-ie niet? Ik ben toch voor hem? Nee hij stopt
niet. Bumper raakt me. De linkerpunt van de auto beweegt zich door
mijn been heen lijkt het, maar ik blijf overeind. Ik kijk alleen maar
naar die motorkap die door blijft bewegen. Ik heb weggestuurd van de
auto, maar hij blijft komen, stopt niet. Mijn fiets is er voorbij,
wankelend kom ik tot stilstand terwijl de auto rustig doorrijdt. Ik
stop, zet mijn linkerbeen op de grond en voel dat het mis is.
De pijn is niet voorstelbaar en nu ook
niet meer te beschrijven, ik zak in een keer door mijn been, rol op
de grond direct op mijn rechterzij, gil het uit en kijk de auto na,
nu niet alleen verbijsterd, maar ook gek van pijn en woede. Mijn
gillen houdt niet op. De auto stopt een meter of twintig verder,
aarzelend. Ik zie iemand erop aflopen. Ik gil en krijs.
Er is iemand
bij me. Een jonge vrouw. 'Ga maar rustig liggen.' 'Waar doet het
pijn?' Ik wijs naar mijn linker been, en zeg dat het volgens mij
gebroken is. Ik zeg: 'Die man moet stoppen.' 'Er wachten 8 spelers op
me. Ik moet regisseren.'
'Ik ben verpleegster, zegt een jonge
vrouwenstem, misschien dezelfde als die me het eerste aansprak. 'Gil
maar lekker.'
'Heeft u hulp nodig?'
'Nee, alles onder controle.'
'Is er een ambulance gebeld?'
Van diverse kanten klinkt 'ja'.
'Ik kan helpen. Ik ben verpleegster.'
'Ik ook.'
Onder de omstanders zijn minstens vier
professionele verpleegsters, blijkt, waarbij het aantal
ervaringsjaren wel telt. Niet elk advies klinkt mij even houdbaar in
de oren en ik merk dat ik zelf toch redelijk in een stabiele zijligging
heb weten te manoeuvreren. Ik prijs mezelf gelukkig. Maak een enkel
grapje, en werk mee bij hun gesprekspogingen om mij bij kennis te
houden en erachter te komen wie ik ben, waarom ik hier lig en waar ik
vandaan kom. Ik ben glashelder in mijn hoofd, althans, zo voelt het.
Een verpleegster wil mijn been
ondersteunen, een andere zegt: 'als hij zoveel pijn heeft, liever
niet'. Ik geef haar volmondig gelijk. Ik ben inmiddels iets kalmer,
als de pijn nog steeds onverdraaglijk. Iemand vraagt me of ik
aangereden ben. Ik zeg ja. Door die auto daar en hij wilde
doorrijden. Hij moet hier blijven, en ik roep nog wat verwensingen.
Dat hij een lul is. Dat mijn leven kapot is. Dat ik zelfstandig
ondernemer ben en zaterdag naar een voorstelling in Eindhoven moet om
te recenseren. Ik zie iemand weer naar de auto lopen, en zie
vervolgens de auto achteruit een parkeerplaats opzoeken, dichter bij.
De bestuurder zie ik niet, en heb ik ook niet gezien. Niet voor of
zelfs tijdens het ongeluk, omdat er geen dreigende situatie was,
waarbij ik altijd ooogcontact zoek met medeweggebruikers. Ik weet nu,
zondag 19 oktober nog steeds niet wie mij aangereden heeft, en
vooral: waarom?
Een vrouw zegt: zal ik uw fiets in
veiligheid brengen? Ik woon in het appartementengebouw hier en ik heb
het zien gebeuren. Ik kan beter uw fiets in de berging zetten, dan
dat hij hier achterblijft. Ik aarzel, maar geef haar toch mijn
sleutel. Er wordt naar mijn adres gevraagd, naar iemand die ze kunnen
bellen. Ik geef ze het nummer van Suzanne, maar ze neemt niet op. Bij
een tweede poging wel, blijkt, en inmiddels heb ik ook mijn telefoon
opgediept en mijn portemonnee. Ik zoek mijn visitekaartje. Alles om
af te leiden van de verschrikkelijke pijn, die niet minder wordt, de
woede, die groter wordt en de machteloosheid die me overvalt. Waar
blijft de ambulance? Suzanne belooft thuis te wachten, ze zal zoeken
naar een nummer van één van mijn spelers om die te waarschuwen dat
ik niet kom, maar dat lukt niet.
Nog steeds geen ambulance. Ze blijken
naar het verkeerde kruispunt te zijn gegaan.
Maliesingel-Nieuwegracht. Pas later besef ik dat ik op het kruispunt
Tolsteegsingel-Nieuwegracht lig, dus de vertraging van de ambulance
is enigszins begrijpelijk.
Dan vraagt iemand of er niet ook
politie moet komen, gezien de toedracht. Ik zeg ja, ik ben er nog
steeds van overtuigd dat de persoon in de auto moedwillig door bleef
rijden. Ik was immer glorieus te zien in de koplampen aan
bestuurderskant? Hij moet toch gevoeld hebben dat hij iets raakte?
Waar keek hij naar, als hij niet naar voren keek? Zijn dode hoek?
De politie wordt gebeld, en weer een
eeuwigheid later, als zich nog twee verpleegsters melden, is de
politie er. Ik hoor ze mensen op afstand zetten, kennelijk ben ik de
attractie van de avond, en dat is ook voorstelbaar gezien het volume
van mijn gegil, dat inmiddels is overgegaan in luid gehuil en
gekreun. Maar wie zou niet?
De gebruikelijke vragen, kan ik mij
identificeren? Nee, natuurlijk, dus die boete heb ik al binnen. Wijs
ze op mijn portemonnee, daar zit van alles in. Ik wijs ze op de auto
die me aanreed. Ik zie een agent er vanuit mijn ooghoek heenlopen en
weer terugkomen. Verder geen nieuws.
De ambulance is er, er worden nog meer
mensen op afstand gehouden. Ik vraag ze mij geen pijn te doen. Iets
ter verdoving te geven? Niet aanraken! Dat been! 'We zullen toch
moeten'.
De ambulancezuster is aardig, joviaal.
Ik probeer haar grapjes met eigen grapjes te beantwoorden. Ze zegt:
'we gaan het spalken, dan wordt de pijn ook minder.' Maar dan moet ik
eerst gestabiliseerd worden en dat wordt pijnlijk. Inmiddels ben ik
iets milder over pijn geworden, al zeg ik nog dat ze blij mag zijn
dat ze geen toneel speelt, want als ze me nog meer pijn doet, zal ik
haar alleen nog maar slechte recensies geven, de rest van haar
carrière. Ze snapt er natuurlijk niets van, maar dat maakt nu even
niet uit. Als ik het maar snap. Hier ligt de beste recensent van
Nederland op straat te creperen. En dat is een ramp. Ik denk ook: kan
ik dit gebruiken voor mijn essay voor Nice?
Alles loopt door elkaar.
Dat stabiliseren is inderdaad voldoende
om haar tot in de derde generatie kleinkinderen de grond in te
schrijven. Maar daarna wordt het beter, dankzij de spalk. Haar
carrière is gered, zeg ik. En ik denk erbij dat mijn carrière
verwoest is. Ik ben zelfstandige in een kwetsbare bedrijfstak. Als ik
niet kan recenseren of interviewen, is de kans groot dat de GPD een
vervanger gaat zoeken. Op den duur zal dat kunnen betekenen dat die
vervanger beter is, minder duur, misschien, minder moeilijke vragen
stelt en dat ze hem of haar dan maar graag houden. Ik mag dan nog een
tijdje voor piet snot bijbeunen, maar dan is het einde recensent
Schaap. Veel mensen, onder wie enkele regisseurs en producenten, en
een heel enkele acteur die Frank Lammers heet, én mijn opvolgster
zullen de man die mij aanreed eeuwig dankbaar zijn.
Nice, denk ik steeds. Ik mag in
december naar Nice als Nederlandse vertegenwoordiger op het Europese
theatercongres. Naar Jorge Semprun. Als dat niet doorgaat kan ik mijn
verdere groeimogelijkheden helemaal schudden. Mijn leven is kapot. Ik
jank.
Mijn telefoon gaat. Ik zie dat acteur
Jeroen belt. Die is snel. Heeft Suzanne hem gebeld? Nee, blijkt.
'Waar blijf je?', vraagt hij op zijn altijd zo leuke ironische toon.
'Heeft Suzanne niet gebeld?' 'Nee, we wachten al een kwartier op je.
Normaal is dat ík te laat ben, maar jij nooit.' 'Ik lig in een
ambulance, er is een ongeluk geweest, maar ik leef nog. Ik kan
vanavond niet naar de repetitie komen, maar misschien kunnen jullie
zelf nog de tekst een keer lezen?' Het gesprek stopt. De
ambulancezuster en broeder doen iets met mijn been dat verder praten
onmogelijk maakt. 'Ik knoei met jou erbij altijd enorm met de
infusen. Kijk eens wat een bende.'
Een slagaderlijke bloeding kan er nog
wel bij. Leven is toch al kapot. Als die pijn maar stopt.
Waar ik heen wil worden gebracht?
Bizar.
'Is er een keuze?'
'Ja.'
'Nou, Diak dan maar, want daar kennen
ze me nog van de vorige aanrijding.'
Zij vragen, ik vertel over die dronken
bejaarde op zijn met tassen behangen brommer die mij in juli 1994 bij
het Centraal Station tegemoetkwam en linksafsloeg terwijl ik op mijn
oude racefiets aan kwam rijden. Dat was een ongeluk dat ik aan zag
komen, enigszins. Dit ongeluk heb ik pas zien gebeuren toen het
gebeurde. En steeds speelt door mijn hoofd: 'hij wilde doorrijden,
hij wilde gewoon doorrijden.'
Ik roep 'KUT', zeg meteen 'Sorry.' want
Kut roepen terwijl er een verpleegster bij is, is niet netjes. Ik
roep God ook nog op om wat dingen te doen die hij gelukkig niet kan
doen omdat hij er toch niet is, en de ambulancezuster grapt dat het
Diak wel een christelijk ziekenhuis is, dus als ik nog wil vloeken,
moet ik het nu doen. Ik volg haar advies hartgrondig op. Er vliegen
ook nog wat kutten en sorrys langs. Je moet toch wat, achterin een
Mercedes.
'We gaan rijden', zegt de broeder.
'Doen jullie een beetje voorzichtig?' en dan zeg ik nog iets over de
ambulance die ik thuis voor de deur heb staan, met nog veel betere
veren. 'Deze veren deugen ook', zeg ik als ze de eerste
verkeersdrempel hebben genomen..
Er wordt even onderhandeld over de
mobilofoon. Kennelijk wordt mijn voorkeur voor het Diak niet door het
Diaconessenhuis gedeeld. Later zal ik snappen waarom. Nu kan ik
alleen nog maar janken.
Volgende keer: Jungle Boek
|
|
|
|
|
|