Alles weten: www.wijbrandschaap.nl
home | stats | gelinkt door | beheer | maak je eigen weblog aan! | Wil je mijn visitekaartje? punt.nl


Schaaps Beenbreuk (10)
Gezondheid | gezondheid | 09 December 2008 | 17:04:55

Weekenddienst

Zaterdag 18 oktober 2008.

En zo glij je dus een dip van het betere soort in. Vier slechte nachten, zonder individualiteit opgesloten zitten met lekkende mensen in een te kleine en te warme ruimte. Dan wil het wel lukken. Een gebroken been, een aanrijding, een Jeroen Bosch-operatie en vele tonnen aan medicijnen die allemaal wat raars met je perceptie uithalen doen de rest. Ook belangrijk.

Anders Neil Young's Harvest wel. We hebben het hier dus over een depressie in het sentimentele stadium. Zo'n depressie van “ja, huil het er even lekker uit.”

Voor de vierde keer gaat 's ochtends het licht aan, maar dit keer voelt het anders. Het is veel stiller op de afdeling. De normale bedrijvigheid waar ik nog niet eens aan gewend ben geraakt heeft plaatsgemaakt voor een rust die een beetje unheimisch overkomt. Het is weekend. Dat is het. En iedereen moet natuurlijk een beetje bijkomen van de bijna-dood-ervaring van Mevrouw Flodder, de grote dikke vrouw die gisteravond op het bed van de misschien wel dode meneer Oer is gelegd.
Mevrouw Flodder was van het soort dat net zo vrij poepte als de Grote Rasta op mijn eerste nacht plaste. Mevrouw Flodder deed dat op een po-stoel naast haar bed en deed het dekseltje er niet op wanneer ze klaar was. Een van de verpleegsters vond dat een beetje vies, als ze erlangs liep, vooral ook omdat mevrouw Flodder graag op zijn Hollands de gordijnen open liet. Omdat het kamertoilet maar drie passen verder was, adviseerde de avondverpleegster haar om dan maar haar bedrading en slangen mee te nemen naar dat toilet. Dat is vermoedelijk die nacht misgegaan.
Ik was zowaar een beetje in slaap gevallen, omdat Pauw en Witteman niet leuk waren en ik eigenlijk überhaupt nergens meer zin in had. De gordijnen rond mijn bed waren dicht: die vrijheid had ik afgedwongen. Maar nu kreeg meneer Reuks waanvoorstellingen. Hij sliep soms kreunend, werd dan weer wakker en wist niet waar hij was. Hij wilde naar huis en ik moest hem brengen. Gelukkig kon ik hem duidelijk maken dat dat met mijn gebroken been en algemene toestand een beetje lastig zou worden, en dan kalmeerde hij wel weer. Dat was zo'n vier keer gebeurd toen bij Mevrouw Flodder het licht aan ging.
Het gebeurde achter mijn dichte gordijn en achter haar dichte gordijn, maar het moet een ER-achtige scene zijn geweest, die best lang duurde. een stuk of wat artsen, veel verplegers en allemaal rennen en roepen.

Er schijnt wat leidingwerk losgeraakt te zijn, maar de journalist in mij kreeg nul op het rekest toen hij maar de details vroeg.

Genoeg over toen.

Die stille zaterdagmorgen heeft niets van de sereniteit die stille zaterdagmorgens plegen te hebben. Het is een gespannen stilte en de reden is dat er drie zieken zijn. Onder het personeel. Dat betekent dat er stagiaires worden ingevlogen en verpleegsters van andere afdelingen hier moeten inspringen op de traditioneel meest hectische verpleegafdeling van het ziekenhuis. Alles is later en ik ben klaar voor de dip.

Voor het eerst durf ik weer muziek aan op mijn iPod. Na al die hoorcolleges en luisterboeken heb ik even genoeg inhoud gehad. Maar waarom zet ik dan Harvest op? Geen idee. Een mens doet wel meer irrationele dingen. Ik ben immers opgegroeid met Bowie. Neil Young, dat was iets van de broer vlak boven mij. Maar Bowie doe ik even niet vanwege die operatie. En Harvest werkt. Ongelooflijk.

Die eerste doffe drum van 'Out on the Weekend'. Die harmonica. De droogte aan de Amerikaanse westkust in één keer opgelost. Ik wist niet dat ik zo kon grienen. De tekst is te vaak gequote om hier nog te herhalen. 'Can't relate to joy.' Dat zegt het even allemaal. Gewoon downloaden of kopen als je een geweten hebt.

De hele cd duurt een huilbui lang en alles wat daarna komt staat er vagelijks bij in de schaduw. Berlin van Lou Reed durf ik niet aan, vanwege de traditioneel suïcidale bijeffecten. Even terug in de reminiscentiejaren, al doen The Shins het ook heel goed om je ogen bij uit je lijf te huilen. En wat dan nog. Ik had waarschijnlijk Frans Bauer nog gepikt.

Ik ben droog wanneer de fysiotherapeute komt om mij een tweede trappoging te laten doen. Het resultaat is ongeveer hetzelfde als gisteren. Ik weet dat het me nauwelijks lukt, maar straal uit dat ik dik tevreden ben. Ze denkt na, maar ziet aan me dat een weekend in dit ziekenhuis mij eerder fataal zal worden dan een misstap op één van de twee trappen op weg naar de hemel, thuis. Ze geeft het verlossende woord om elf uur, als mijn oudste broer en Suzanne thuis bezig zijn om de voormalige woongroepswoning om te bouwen tot een aangepast gehandicaptenonderkomen: beugels in de natte ruimte, een verhoogd toilet, rolstoel, een douchestoel en een computertafeltje. The Works. Man needs a maid. Inclusief de violen. Broer Cor heeft een hart van goud.

Uiteindelijk duurt het tot half zes voor de dagverpleegster mij ontslaat uit het ziekenhuis. Het is weekend en de dienstdoende arts die mij eigenlijk moet vrijpleiten staat er (zoals altijd) dit weekend alleen voor. Een heel ziekenhuis op anderhalve arts. We mogen trots zijn op de volharding van onze medische handwerkers. Het ligt aan hen dat het dodental in het   ziekenhuisweekend niet op het niveau van een gemiddeld derdewereldland ligt.
Ik klaag niet, want de verpleegster is een schat en ze is de eerste die zich de tijd toe-eigent om met mij te praten. Mooie tien minuten, al spreek ik haar niet meer nadat ze mijn verband gewisseld heeft. Het was de eerste keer sinds de operatie en het zat nog op een bizarre manier onder gedroogde en tot poeder vergane bloeddoordrenkte lappen. Ze grijpt inwendig vloekend naar mondkapjes en handschoenen en ik besef dat ik ondanks het prettige gesprek ondertussen nog gewoon een anoniem gezondheidsrisico ben.

Mevrouw Ümlaut blijkt genegen tot een gesprekje, nu wij zo overduidelijk uit elkaars leven zullen verdwijnen. Onderbroken door wat onsamenhangend geroep van meneer Reuks leer ik de 82-jarige kennen als een mens dat heeft leren leven met de beperkingen van het huwelijkse leven. Ze had een mooie baan bij Shell tot ze werd ontslagen omdat ze trouwde: tot diep in jaren vijftig van de 20ste eeuw de wettelijke regel in het modernste land van Europa.

Ze keerde voor haar huwelijk bovendien uit Amsterdam terug naar het ouderlijk huis in het Christelijke deel van Het Gooi, en is daar blijven wonen tot ze daar een jaar geleden uit weg moest. De kinderen vonden het onverantwoord dat het gouden bruidspaar in het oude landhuis bleef wonen. In de nieuwe aanleunflat in Bilthoven gaat het steeds meer mis. Haar man breekt zijn heup, gevolgd door haar, een maand of twee later. Ze is een beetje depressief, zegt ze. Maar wanneer ik doorvraag zegt ze dat dat altijd is wanneer de blaadjes vallen.

Ze is vooral blij met die kleine vrijheid die ze buiten heeft staan. Haar originele Mini Cooper uit 1980, waarmee ze nog altijd plezierritjes maakt: ,,En dan houd ik me echt niet aan alle regeltjes, hoor.”

Ik had haar wel verteld dat ik door een ouder wordende automobilist met Sido het ziekenhuis in gereden was, maar dat mag haar pret niet drukken. Ze is drie maanden geleden opnieuw gekeurd en mag nog zeker vijf jaar door in de mini. Perfecte ogen.

Ik feliciteer haar. Zij bedankt mij.

,,En weet je wat het is?” vraagt ze even later. ,,Ze hebben me hier gescand rond de operatie en ze hadden niet zulk goed nieuws. Ik heb vasculaire dementie.” Gelukkig maar dat haar rijbewijs al vernieuwd is, glimlacht ze, op het moment dat haar echtgenoot binnenkomt.


Volgende keer: seks.


 
REAGEER! | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 568

Wil je mijn visitekaartje?

Schaaps Beenbreuk (9)
Gezondheid | gezondheid | 20 November 2008 | 15:40:48

Een trap te ver

Donderdag 16 oktober 21:00 uur – Vrijdag 17 oktober, 12:00 uur.

Er is iets aan de hand met het woord medelijden, en dat zit me al een tijdje dwars. Komt ook: ik schiet vast in mijn reconstructie van de vier dagen ziekenhuis, en dat heeft alles te maken met medelijden. Donderdagnacht is namelijk de nacht van de echte trip naar de heart of darkness die zo'n ziekenhuis is en dan krijg ik dus een probleem. Tot nu toe kon ik alles beschrijven met een combinatie van echte gruwel, horror en zelfspot, waardoor het, ondanks de enge inhoud, toch leuk is om te lezen. Dat lukt niet meer wanneer je alleen nog maar zielig bent. En als je te lang zielig bent, lopen je vrienden weg. En daar verzet ik me dan weer tegen. Maar verzet is zinloos als je je vijand niet kent. En dus had ik even nodig om die te vinden. En die vijand is dus: 'medelijden'.

Mensen die plots een soort Dominee Gremdaat-achtig stemmetje horen bij dit verhaaltje: dat klopt. Want wat is dat woord toch? Mede-Lijden. Je lijdt met iemand mee. Nobel, maar hoe doe je dat eigenlijk: mee-lijden? Stel je voor: iemand lijdt. Ik bijvoorbeeld, aan het feit dat al mijn kamergenoten om negen uur willen slapen, en ik minstens nog Pauw en Witteman wil halen, maar de gordijnen tussen de bedden open moeten b lijven opdat de nachtzuster snel kan zien wat er met wie mis is.

We komen hierop terug.

Er zijn zat mensen die dan met mij meelijden. Dus medelijden hebben. Neem je dit letterlijk, wat we nu even zullen doen, dan voelen deze mensen, net als ik, zichzelf schuldig aan alles wat er die verdere nacht misgaat. Mevrouw Ümlaut kan immers niet in slaap komen omdat ze boos is over mijn bedschijnwerper, meneer Reuks krijgt, naast zijn verstopping, ook nog last van mijn flitsende tv en net als iedereen slaapt gaat het helemaal mis met meneer Oers' pijn, die begonnen was omdat hij wilde wegkomen van mijn vele bezoek, die middag. Meneer Oers moet na een helse nacht terug naar de hartafdeling en is nu misschien dood, en dat heb ik dan ook op mijn geweten.

Lijd daar maar eens mee mee.

Medelijden is dus een verkeerd woord, want niemand kan meelijden met iemand die in zo'n nacht in de NRC Hoorcolleges Stadsgeschiedenis, die zijn vrouw zo ontzettend aardig heeft besteld, wakker wordt gehouden door de verschrikkelijke EO-stem van de hoogleraar Herman Beliën, waardoor hij, na melding daarvan aan zijn vrouw, háár ook nog eens ongelukkig maakt.

Het grappige is dat deze tekst alleen mar wijst op iemand met een onstilbaar zelf-medelijden. En daar gaat het dus om. Want zelfmedelijden is fout. Zelfmedelijden is pathetisch. Zelfmedelijden mag niet, omdat het zo gênant is voor de mensen die al medelijden hebben.

Niemand die de vraag stelt: hoe kun je eigenlijk medelijden met jezelf hebben, en als het al kan, wat is daar eigenlijk fout aan? Die donderdagnacht was er helemaal niemand met wie ik zelf mee kon lijden, behalve mezelf. Maar ik leed al. Dus zou het dubbel worden.

Er is iets anders. Wil je echt goed met iemand mee kunnen lijden is het dus niet leuk als die persoon al medelijden heeft met zichzelf. Voor een effectieve medelijd-sessie is het eigenlijk een ongeschreven regel dat de lijder zelf heel vrolijk, monter en optimistisch is. Wij vinden die arme Afrikanen ook veel zieliger wanneer ze in zonnige dorpjes hun 1 dollar per dag uitgeven aan die vrolijke kleuren van hun hutjes, dan wanneer ze in de stromende regen in de buurt van Goma in een plas aan de cholera liggen te sterven. Dan is het niet zielig meer, maar huiveringwekkend, en keren we ons gegeneerd af.

Medelijden is er voor de medelijder. De lijder heeft er niet zoveel aan. De medelijder wil graag het idee hebben dat hij of zij iets kan bereiken met zijn medelijden. Wat is anders de betekenis van dat woord 'lijden' in 'medelijden'? ,,Ik lijd ook. Ik lijd met je mee.” zegt de medelijder. Waardoor het erop uit draait dat de echte lijder het grootste deel van de tijd bezig is om de medelijders op te vrolijken. Mijn vader was daar, anderhalve maand voordat hij aan darmkanker stierf, ook heel goed in. Mensen kwamen bedrukt en bedroefd bij ons huis aan en gingen na een uurtje vrolijk en opgemonterd weer naar hun eigen huis terug. Even vrolijk door ons uitgezwaaid. Dat is wat medelijden met de mensen doet.

Let wel, ik ben niet voor invoering van het Arabische leedmodel. We gaan niet met zijn alleen grienen, gillen, onze kleren verscheuren omdat dat nu eenmaal ook schijnt op te luchten, na een week. Ik vind alleen dat we wat meer ruimte mogen geven aan klagen.

Ik wil mezelf in mijn toestand graag beklagen, en ik vind het heel prettig als mensen naast mij dat met me eens zijn. Dat is geen medelijden, maar gewoon erkenning. En dan niet gaan opvrolijken, om weer aan de oude medelijdenformule te kunnen voldoen.

Ik pleit voor zelfbeklag en meeklagen. Natuurlijk was het veel erger geweest als ik in een Amerikaans ziekenhuis gelegen had. Natuurlijk was het veel erger geweest als ik niet mijn been, maar mijn rug, of allebei mijn armen had gebroken. Mensen die dat hebben, zijn er inderdaad verschrikkelijk aan toe, maar ze zijn even niet hier.

Daarom dus: die donderdagnacht in het Diak is een beproeving, en de ochtend die erop volgt nog erger. Ik droog uit omdat mijn katheter zijn werk naar behoren doet, en ik de resterende vochtvoorraad via mijn ogen en neus aan het lozen ben. Ik weet het: ik verzet me, en dat is niet gezond. 'Go with the flow', hoor ik je zeggen, maar ik wil maar met één flow mee, en dat is die, die rechtstreeks naar buiten gaat, naar mijn huis, twee hoog zonder lift in Lunetten. Bij Suzanne, die dus nu zelf langzaam maar zeker zo op haar tandvlees loopt, dat zij ook alle reden heeft om zich te beklagen. En ik haar dus, wat mijn ellende alleen nog maar groter maakt.

De fysiotherapeut neemt mij mee naar een trap, nadat een verpleegster een slang van een halve meter en een ballonnetje uit mijn tere deel heeft gehaald, waardoor ik opeens snap hoe pijnlijk zo'n ding werkelijk is. Vier weken geen, of op zijn hoogst pijnlijke seks is iets wat ik zeker moet zien te verrekenen met de 61-jarige jurist met SIDO* die mijn been aan stukken (5 hele schuine om precies te zijn, weet ik vijf weken later) heeft gereden.

De trap telt een tree of twintig en ik vind dat ik een snelle leerling ben. Één slappe hand op de leuning, de ander op de kruk en zo jezelf tree voor tree naar boven hijsen. Naar beneden is makkelijker. De fysio vindt mij ook een snelle leerling. Maar niet snel genoeg. Hij wil zeker zijn dat ik niet val, of het halverwege begeef. Zaterdag zal zijn collega nog een keertje komen oefenen, en die zal dan bepalen of, en zo ja wanneer, ik naar huis mag.

Dat is teveel. Ik stort in. Niet nog een dag en nacht in dat verschrikkelijke zaaltje? Hij is aardig, en de verpleegsters zijn aardig, en de dokter is een genie, maar nog een nacht in dat ziekenhuis... Ik breng hem in gewetensproblemen, met hulp van Suzanne, zeg hem dat ik die twee trappen in Lunetten maar één keer op hoef, en dat ik daarna braaf heus heus alle dagen boven zal blijven, maar nee.

De fysio haalt de dokter erbij en die zegt dat het ook beter is als ik morgen even afwacht.

(*) 'Stront In De Ogen'

Volgende keer: Weekenddienst

 
REAGEER! 1 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 598


Schaaps Beenbreuk (8)
Gezondheid | gezondheid | 09 November 2008 | 17:44:40

Leedrecht

Donderdag 16 oktober, 14:00 – 21:00 uur

Een van de grootste problemen op een vierpersoons zaal in een ziekenhuis is de pikorde. Zolang iedereen bont en blauw, groggy en volslagen van de wereld in bed een beetje voor zich uit ligt te boeren en worstelt met urinalen, katheters en bedpannen, is er niets aan de hand. Maar zodra de ergste persoonlijke ongemakken ook maar een beetje naar de achtergrond verdwijnen, gaat er iets anders knagen. Heel simpel is dat de vraag wie er hier nu eigenlijk het ergst aan toe is. Dat is dan de persoon die een soort van de leider is, de woordvoerder in tijden van nood, degene die de grapjes mag maken waar de anderen beleefd om zullen gaan lachen.

Die vraag wordt nooit hardop gesteld en zal zelfs door alle buitengewoon solidaire patiënten en verpleegsters luidkeels ontkend worden, maar hij broeit wel onder alle rudimentaire communicatie op zo'n zaaltje. In principe is de vraag niet moeilijk te beantwoorden. Om concreet te worden: ik ben er het ergst aan toe, niet alleen vanwege mijn eigen pijnlijke toestand, maar ook omdat ik naast meneer Reuks lig.

Meneer Reuks is inmiddels getemd door verpleegster M, en omdat hij weer volop kon plassen is in ieder geval de helft van zijn klachten weg. Blijft over de enorme hoeveelheid laxeermiddel die in meneer Reuks wordt gestopt, om een eind te maken aan zijn verstopping. Die middelen helpen niet. Hoogstens komt er nu een vrij constante, sterk riekende stroom luidruchtige winderigheid bij, wat meneer Reuks een complimentje van de arts oplevert: 'Dat hebben we dan in ieder geval al voor mekaar, meneer Reuks.'

En dan is het tijd voor een klysma.

Het moet gezegd worden: meneer Reuks gaat er dapper mee om. De klysma's leveren geen tastbaar resultaat op, anders dan de nodige hoorbare ellende, maar meneer Reuks blijft er grappen over maken. Ik kan ze niet allemaal verstaan, vanwege het platte Middelvleutens dat deze tuinder spreekt, maar ik weet dat een vorm van vriendelijk terug glimlachen de situatie voor ons allemaal beter maakt.

Met mevrouw Ümlaut probeer ik ondertussen een vage vorm van solidariteit op te bouwen. Ze komt, ondanks de regelmatige signalen van fysieke ongemakken van onder haar dekens, gedistingeerd over, en dat niet alleen vanwege die umlaut waar ze zo aan gehecht is, en die zo hinderlijk door alle bezoekende verpleegsters, laboranten en artsen wordt genegeerd.

Mevrouw Ümlaut heeft iets mild Goois over zich: niet overdreven bekakt maar wel cultureel op de hoogte. Vanaf mijn bed probeer ik zo nu en dan een begripsvolle glimlach haar kant uit te sturen. Mevrouw Ümlaut is een jaar jonger dan mijn eigen moeder en er zoveel beter aan toe, denk ik op dat moment nog.

Het enige rare is dat mevrouw Ümlaut de Privé en de Story leest. Lectuur die ik op geen enkele manier kan rijmen met haar verder zo edel overkomende uitstraling. Later zal ze mijn vermoeden bevestigen, wanneer ze haar dochter meldt dat ze uit arren moede aan niets beters toekomt dan de roddelbladen. Het stelt me gerust. Al merk ik ook steeds aan mevrouw Ümlaut dat zij van zichzelf vindt dat zij er nog veel erger aan toe is dan ik, zeker omdat ze met zo'n onvolwassen stuk vreten als ik op één kamer moet liggen. Verder dan dit soort stilzwijgend uitwisselen van onuitgesproken vijandelijke vermoedens komen we niet, maar ik merk later dat ze vindt dat ik de kantjes ervan af loop.

Soit. Het kan me niet schelen. Ik lig op een kamer met twee hoogbejaarde mensen en lijd. Het liefst lig ik achterover naar het plafond te staren, en te wachten op Suzanne, die zich niets aantrekt van de bezoekuur-regels en dus op de raarste, maar altijd nog te schaarse momenten aan mijn bed opduikt.

Ze heeft weer van allerlei lieve dingen gedaan. Hoorcolleges besteld van de NRC Handelsblad-academie, ter vervanging van Maarten van Rossum. 5000 jaar stadsgeschiedenis: dat moet me wel door de komende nacht heen krijgen. We kloten wat met de vele snoertjes, opladers en elektronische gadgets die ik om me heen verzameld heb. Haar iBook moet alles naar de diverse iPods overbrengen, tot verbijstering van het nog niet tot het digitale tijdperk toegetreden ziekenhuispersoneel.

Ik merk natuurlijk dat Suzanne op haar tandvlees loopt. Ze moet hard doorwerken aan de opdracht die we eerst samen deden, maar die zij nu noodgedwongen in haar eentje af moet ronden. We drijven op haar inkomen, de komende maanden, nu steeds duidelijker wordt dat ik op geen enkele manier aan werken toe zal komen. En ik wil haar eigenlijk de hele dag om me heen hebben. Haar voor van alles inzetten. Ik vraag haar ook de oren van de kop, over allerlei dingen die nog moeten worden geregeld, mensen die moeten worden gebeld. Ik besef te weinig hoe veel ze al doet. Ze heeft een maillijst gemaakt waarin ze vrienden en bekenden op de hoogte houdt van mijn wedervaren. Ze wordt overspoeld door solidariteit van vrienden en familie, niet alleen met mij, maar zeker ook met haarzelf, maar ondertussen slaapt ook zij slecht, heeft ze ook haar eigen verdriet en moeten we hoe dan ook maar zien om te gaan met de algehele kloterigheid van de situatie.

Inmiddels is er een nieuwe opdracht bijgekomen. Als ik morgen inderdaad naar huis wil, zullen de twee slangen die sinds gisteren aan mij vast zitten, los moeten. De katheter zal dus op enig moment uit mijn weke delen moeten worden gehaald, en ik zal moeten afkicken van de morfine die me nu laat zweven in de toch wat treurige gelijkmoedigheid van een groggy ziekenhuispatiënt. Immers: morfine en op krukken lopen gaan niet samen. Ik besluit te minderen, en hoop me die nacht te kunnen troosten met de televisie. Ik heb een abonnement genomen op het patiëntenkanaal.

Het bezoekuur, de periode tussen vier uur 's middags en acht uur 's avonds, zet de broze verhoudingen op de kamer op scherp. Ik heb bij het roepen van 'Ja! Alsjeblieft! Komen!' geen rekening willen houden met de regel dat er per patiënt maar twee bezoekers tegelijk binnen mogen zijn, en dat zal me de rest van de nacht gaan bezuren, al besef ik dat op dat moment nog niet.

Ik heb bezoekuren altijd gehaat. Vreselijk om bij een vriend, oma, of erger nog, mijn eigen aan kanker stervende vader op een anonieme ziekenzaal te moeten zitten. Een in een ziekenhuis liggend ziek lijf is geen pretje om aan te zien, en ook al probeer je het zicht erop te vermijden: je ziet de slangen in en uit dat lijf gaan, je hoort de lichamelijke ongemakken, je ruikt de luchten die je niet wilt ruiken. Andere patiënten en bezoekers maken iedere vorm van intimiteit onmogelijk en hoe dan ook heb je eigenlijk niets om over te praten.

Ik kan me dus helemaal voorstellen hoe mijn bezoek zich voelt. Ik zie ze naar me kijken, ik zie ze de walging verbijten en terwijl ik best blij ben dat ze er zijn, mijn bijna levenslange vriendin A en de partner in crime I, schaam ik me voor hoe ik erbij lig. I heeft zelf net een heftige ziekte achter de rug en A was afgelopen zomer iedere dag op deze afdeling op bezoek bij haar vreselijke stiefvader. Hier zitten drie ongelukkige mensen bij elkaar, en we praten wat om de tijd te verdrijven, maar geen van drieën willen we hier zijn.

De goede vriendinnen worden afgewisseld door mijn broer, zijn vrouw en mijn tante, die zelf nog hard aan het werk is om de plotselinge en heftige ziekenhuisdood van haar levensgezellin te verwerken. Er zijn drie mensen aan mijn bed, en dan komt Suzanne ook nog eens binnen. Dat maakt vier en nu begint mevrouw Ümlaut te morren. Ik had ook al wat verstoorde blikken gekregen van meneer Oer, een man van ongeveer mijn leeftijd die vlak voor het bezoekuur de kamer op werd gereden, en die met zijn vrouw zacht fluisterend de verse ziekenhuiservaring probeert te verwerken. De cateringzuster komt een prakje brengen dat ik niet heb besteld, en na een paar happen besef ik dat de verdoving van gisteren ook rare dingen met mijn smaakpapillen heeft gedaan. Dat ik toen iets lekker vond, kan alleen aan de narcose hebben gelegen. Het eten is van onduidelijke structuur en samenstelling, smaakt naar gaarkeukens en maggi, en is gruwelijk doorgekookt. Ik hals kok.

Mevrouw Ümlaut complimenteert de cateringzuster met het heerlijke eten. Naast mij blijkt hoorbaar dat zelfs deze maaltijd meneer Reuks niet van zijn verstopping heeft afgebracht en meneer Oer gaat een wandelingetje maken met zijn vrouw, waarschijnlijk om even van alle drukte verlost te zijn. Hij keert na 10 seconden terug, met verschrikkelijke pijnen. Mijn bezoek vertrekt en met Suzanne drink ik nog een kopje espresso van beneden.

Gelukkig was dit mijn laatste bezoekuur, zeggen we tegen elkaar. Mijn broer heeft aangeboden morgenmiddag aanpassingen in het huis te schroeven en mij uit het ziekenhuis te komen halen. Vanavond Keuringsdienst van Waarde en Opium op de vers aangesloten tv. Vannacht de hoorcolleges om me af te leiden van de morfine, waar ik net mee ben gestopt.

Om negen uur gaat Suzanne naar huis en vraag ik aan de zuster wie de verwarming op 35 heeft gezet.

'Het is de drukte hier geweest. Op zoveel mensen op een zaal is de airco niet berekend.' En: 'Nee, de ramen mogen natuurlijk niet open, want dat is zonde van de airco.'

Mijn kamergenoten vinden dat ook helemaal niets, een aangename slaaptemperatuur van een graad of tien.

Volgende keer: Een trap te ver


 
REAGEER! | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 476


Schaaps Beenbreuk (7)
Gezondheid | gezondheid | 08 November 2008 | 15:24:00

De Ochtenden

Donderdag 16 oktober

Hoe verder de werkelijkheid die ik wil beschrijven achter me ligt, hoe gecomprimeerder de beelden, en misschien ook: hoe onbetrouwbaarder. Ik vertel mijn verhaal, praat met mensen, krijg reacties, vaak goede, maar ook mindere: een kennis, zelf een tweede leven als verpleegster begonnen, is boos omdat ik in mijn eerste verhaal een verpleegster vervloek om de pijn die ze me aandoet. Er zijn kennelijk grenzen aan de eerlijkheid die ik me kan permitteren. Al houdt het hier niet op. Ik heb inmiddels een advocaat met een absurd verhaal dat nog verteld moet worden, een paar slapeloze nachten van steeds weer nieuwe soorten pijn op steeds weer andere plekken, en ik heb Carré bezocht omdat ik wilde bewijzen dat ik dat kon. Het liep uit op een regelrechte ramp. O. En het essay is af.

Maar die nacht, na die operatie en die verdoving die er zelfs voor zorgde dat ik de spinazie, aardappelrolletjes en vleesperserij van het Diak lekker vond, had ik er twee slangetjes bij waar ik erg gelukkig van werd. Via het ene werd ik verlost van het gedoe met plastuiten, en via het andere stroomde vrijwel zonder enige onderbreking morfine mijn lijf binnen. Ik mocht zelf op het knopje drukken als de pijn te erg zou worden en een machientje zou ervoor waken dat ik mezelf niet zou OD-en. Er was dus één ding waar ik controle over had, en dat vervulde me met een onbeschrijfelijk geluksgevoel.

Veel geslapen heb ik niet, het was meer een niet-aflatend dommelen, en dat kwam gedeeltelijk door mijn angst om toch, onverhoeds, in mijn slaap door dezelfde helse pijnen overvallen te worden als de welgeschapen Rasta van gisteren. Maar het kwam ook door Douwe Draaisma, wiens luisterboek 'waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt' niet echt opbeurend werkte. Een latere poging om Hans Dorrestijns zelf voorgelezen roman door te komen liep ook spaak. Ik miste Maarten van Rossum, maar om die nu weer op te gaan zoeken, daarvoor ontbrak mij de puf.

Het zal ook rond die tijd zijn geweest dat mijn opgetogenheid over de operatie die achter me lag en het slangetje met gelukswater in mijn linkerarm langzaam maar zeker plaats begon te maken voor een diep gevoel van depressie.

Ik miste de Rasta nu al, want voor die man in de plaats was meneer Reuks gekomen. Een oudere man met de woordenschat van een driejarige en grof in de bek. Reuks was met onduidelijke verstoppingsklachten opgenomen in het Diak, nadat hij, zo begreep ik later, eerder al geopereerd was. Plassen lukte meneer Reuks niet, die eerste nacht, evenmin als het doen van een grote boodschap, en hij moet aan helse pijnen hebben geleden. Zijn gekreun wees daar in ieder geval op.

Meneer Reuks had een grote behoefte om zijn leed te delen, al was dat dan wel soort van eenrichtingsdelen, omdat al teveel woorden terug de man al snel deden duizelen. Aan de overkant was mevrouw Ümlaut vooral heel erg groggy. Iets in me maakte zich zorgen om mijn kamergenoten en ik deed mijn best om mee te leven met de eenzame nachtzuster die de benen uit haar lijf liep om alle hulpverzoeken in te willigen, terwijl er ook nog twee keer alarm was vanwege de verwarde man, twee deuren verder.

De ochtend in het Diak begint om een uur of vroeg met de laatste daad van de nachtploeg: het rondstrooien van borrelglaasjes pijnstillers en andere geneesmiddelen. Net als de eerste nacht zonder uitleg en bijbehorend water, maar dit keer ben ik voorbereid. Suzanne had die avond ervoor een flesje water van beneden gehaald, samen met een overheerlijk overkomende bak espresso uit de bar. Op medicijngebied heb ik al besloten alles in te nemen wat me voorgezet zou worden. Dat is op dat moment een eerste stap in de overgave waar iedere patiënt in een ziekenhuis uiteindelijk toe wordt gedwongen, maar die mij in de uiteindelijk vier dagen verblijf nooit helemaal gelukt is.

Na het rondstrooien van de medicijnen komt de gesmeerde machine die het Diak is, langzaam, maar onhoudbaar, op gang. Heb je in de nacht nog een beetje de mogelijkheid om je koning te voelen in je eigen gedachten, zodra de lichten aangaan en weer uit, en weer aan, er mensen rond gaan lopen, ontbijtploegen zonder toelichting formulieren uitdelen, artsen en co-assistenten aan hun rondes beginnen en goddelijk goede verpleegsters met enig succes proberen om de stemming erin te houden, dringt het tot je door dat je helemaal niets voorstelt, dat je een vol bed bent dat ooit leeg moet en dat je dan wel de reden bent dat er zoiets is als een ziekenhuis, maar dat je niet echt in het centrum van de belangstelling staat.

Helemaal vanzelf komen de tranen weer en ze gaan niet weg tot ver in de morgen. De kwelling van de anonimiteit wordt me teveel. Het medelijden met verpleegster M, die met mijn gegrien en meneer Reuks' gekreun en grove taal moet omgaan, komt daarbij. Natuurlijk. Één grote poel van zelfmedelijden, maar ik heb nooit gevraagd om daar in dat ziekenhuis te liggen met een halve meter staal in mijn been. Ik zou op dit moment Alex van Warmerdam uit zijn bed moeten bellen met een paar triviale vragen over de heropvoerbaarheid van zijn teksten, nu Het Vervolg in Maastricht zijn hit 'Kaatje is verdronken' uit de mottenballen heeft gehaald. In plaats daarvan belt Stefan de Walle op het meest ongeschikte moment, met de vraag of er dan toch nog niet één zin geschrapt mag worden uit het interview dat ik met hem had voor TM. Hij wil niets onaardigs zeggen over niemand. Dat doet hij ook niet, bezweer ik hem, maar daar denkt hij anders over. Ik moet me inhouden om hem niet de huid vol te schelden, maar maak hem wel duidelijk dat ik op dit moment wel wat anders aan mijn hoofd heb dan een aanpassing in de tekst. Dat Koos Terpstra echt geen moordeskader op hem af zal sturen vanwege zijn beschrijving van de crisis bij het Ro theater, tien jaar geleden.

Stefan is een schat, maar zijn overtrokken angst voor reputatieschade maakt hem bijna doof voor mijn repliek dat ik in het ziekenhuis lig bij te komen van een zware operatie en een traumatisch ongeluk. Het is allemaal niet de afleiding waar ik op zit te wachten. Dat is de fysiotherapeut wel. De man die mij gaat helpen opstaan, en die er zo voor gaat zorgen dat ik die middag nog naar huis mag. De uren kruipen voorbij tot zijn voor elf uur geplande komst.

Iets in mij vermoedde natuurlijk al dat mijn hoop op een spoedige terugkeer naar huis vals was. De gênante wasbeurt die ik mezelf moet geven voor de fysio komt, doet de zekerheid indalen. Ik ben niet alleen een patiënt, ik ben ook nog eens vies, er steekt een slang uit waar ooit mijn trots lag en mijn hele nabije omgeving ruikt naar een slechte dag in het verpleeghuis waar mijn moeder momenteel haar laatste jaren slijt. Of het mijn slang is, of de plastuit van meneer Reuks die inmiddels de macht over zijn blaas weer terug heeft, ik weet het niet, maar het maakt me misselijk.

Terwijl ik zo volop bezig ben deze nieuwe dimensies in publieke ontluistering tot mij te laten doordringen komt de fysio zich aan mij voorstellen. Een schat van een jongen, en de eerste persoon die ik tegenkom sinds dinsdagavond, die tijd voor me lijkt te hebben. Tijd die hij en ik hard nodig hebben, want alleen al het overeind komen blijkt een helse beproeving. Het is nog steeds mijn ambitie om hem te bewijzen dat ik wel degelijk op eigen benen kan staan, maar ik zie mezelf nu vooral de hoofdrol spelen in een shockdock over wantoestanden in een Russisch gekkengesticht, waar broodmagere, met stront besmeurde politieke gevangenen overeind gehouden worden door de zwaar getraumatiseerde hulpverleners die hen in deze uithoek van Zuid Waziristan hebben aangetroffen.

Ik slaag erin mijn gebroken been met mijn goede been op te tillen en over de bedrand te krijgen. Met hulp van het automatische bed (inderdaad een luxe in Zuid Waziristan) komt mijn bovenlijf omhoog. Het opstaan op één been lukt en het gaan zitten in de stoel naast het bed ook. Ik ben volledig overgeleverd aan het geduld en de goede zorg van de fysiotherapeut en ik wil eigenlijk nog maar één ding: niet omvallen als ik terug naar bed ga. De ambitie om naar huis te kunnen, nog die middag, is met de eerste poging om te staan en de bijna val die daarop volgde, verdwenen. Maar morgen moet zeker lukken, zeg ik tegen de fysio. Hij zegt: 'Daar gaan we voor, maar ik beloof niets.'

Daar zijn mensen in ziekenhuizen het best in: niets beloven. Verpleegster M, met wie de fysio een beetje staat te flirten terwijl ik lig bij te komen van mijn sta-poging, belooft hem ook niet dat hij haar Hyves-vriendje mag worden.

Volgende keer: Generatieconflict

 
REAGEER! | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 429


Schaaps Beenbreuk (6)
Gezondheid | gezondheid | 01 November 2008 | 14:34:28

De politie

Intermezzo

Geheugen is een raar ding. Of: onbegrijpelijk dat zoveel mensen vertrouwen op zoiets ongrijpbaars als hun geheugen. De eerste vijf stukjes, waarin ik de eerste 24 uur beschrijf van mijn leven sinds meneer van D. (ik zijn naam en nummer inmiddels, en hij het mijne, maar maakt daar geen gebruik van) mij raakte, zijn in een soort roes geschreven. Ik was zo blij weer thuis te zijn, en wilde zo graag iedereen vertellen wat ik had meegemaakt dat opschrijven me bijna overkwam. In een roes schreef ik, pijn en duizeligheid verbijtend, en gedreven door complimenten vanaf de zijlijn: dat het zo leuk was om te lezen. Ik wilde nog daar en dan op dat moment door een grote uitgever benaderd worden. Interessante drug, morfine.
Daarna haalde de realiteit me in: het leven thuis, meer pijn dan gevreesd en het eerste besef van wat er eigenlijk allemaal gebeurd was. Voeg daarbij de angst dat mijn beschrijving van de lange uitzichtloze dagen in het ziekenhuis nooit zo spannend en leuk zou kunnen zijn als die van de gebeurtenisvolle eerste uren, en een compleet writers block was geboren. Tenslotte moest ik ook nog een essay schrijven voor Nice en die twee leken niet samen te gaan. Ik begon dingen te vergeten, terwijl er nieuwe absurde dingen om te herinneren bij kwamen.
Ik heb dinsdag 21 oktober contact opgenomen met de politie, hun versie gehoord, terwijl de agente in kwestie totaal niet benieuwd was naar mijn verhaal, omdat het Proces Verbaal al klaar was, de schuldvraag helder was beantwoord en het beoogde aantal getuigenverklaringen op papier stond. Dat meneer van D. ogenblikkelijk gestopt was, en direct eerste hulp had verleend, dat konden getuigen bevestigen. Toen ik verbijsterd reageerde dat ik nooit een mannenstem gehoord heb, was de agente kortaf. Dat ik toch niet helemaal bij was geweest. Vreemd, omdat zij ook pas een kwartier nadat ik geraakt was arriveerden, tegelijk met de ambulance.
Meneer van D zou ontdaan zijn over de aanrijding en mij dolgraag in het ziekenhuis hebben willen opzoeken, vertelde de agente. Ze had hem echter mijn gegevens niet gegeven omdat ik daar, terwijl ik op straat lag te jubelen, geen toestemming voor zou hebben kunnen geven.
'Kunt u mijn gegevens nu dan aan hem geven, want ik wil de meneer graag in de gelegenheid stellen mij zijn spijt te betuigen. Nu ben ik een hele week boos geweest, terwijl er geen reden toe was.'
Ik gaf mijn nummer aan de agente en ik kreeg naam en nummer van meneer van D. Volgens mij vroeg ik ook nog of ze nu dan meneer van D mijn gegevens zouden geven, en zei ze iets van ja, maar een kleine week later bleek dat ik dat zo niet had moeten begrijpen. Dat ze van de politie alleen behulpzaam zouden zijn geweest als ik ter plekke, op straat, toestemming had gegeven. Nu gingen ze dat zeker niet doen.
Ik moest dus meneer van D, de man die mijn leven op zijn minst tijdelijk verwoest had, zelf gaan bellen, om hem in de gelegenheid te stellen sorry te zeggen.
Ik zei: 'daar heb ik niet zoveel trek in.'
Zij: 'Dat snap ik, maar zo zijn de regels.'
Nu denk ik: 'Ik had slachtofferhulp moeten eisen, want dit is me even teveel.'
Er is veel veranderd sinds mijn eerste aanrijding in 1994. Toen kwamen de agenten die mij geholpem hadden dezelfde dag nog langs om mij mijn bril te brengen. Die was aan gort, maar ze snapten mijn emotionele gehechtheid aan dat ding, en mijn behoefte om al mijn dierbare dingen om me heen te hebben. Vanaf die julidag in 1994 heb ik agenten altijd aardig gevonden, zelfs als ze me wel eens een boete of bekeuring gaven (2x). Nu twijfel ik weer.
Erger nog: ik heb de verpleegster gebeld die mij eerste hulp verleende en haar gevraagd wat haar herinnering was van het gedrag van meneer van D. Zij vertelde dat de man eerst aan de overkant gestopt is, korte tijd later toch zijn auto heeft geparkeerd, en daaarna het verkeer is gaan regelen. Ze heeft hem niet bij mij in de buurt gezien. Dat is een verhaal dat meer klopt met mijn eigen waarneming. Maar wat doen we er verder aan? Is de man een hork die tegen de agenten een slap verhaalte heeft opgehangen? Waarom nemen de agenten hier genoegen mee? Waarom moet ik zelf de politie bellen, en heb ik niets van enige nazorg gemerkt? Zelfs niet een kaartje van slachtofferhulp in mijn knuistjes gekregen?
Afgelopen dinsdag heb ik de man een sms-je gestuurd, met daarin mijn adres. Het is nu zaterdag. 1 november. Ik heb niets gehoord of gelezen. Meneer van D gaat dus van mij horen. Via een advocaat. Die ik nog moet regelen.
Dit soort dingen dus. En of je je dan even wilt herinneren hoe het, in alle kleine details, ook alweer ging, die avond en nacht en morgen na die Wagneriaanse scènes in de operatiekamer?

Volgend stuk: De ochtenden
 
REAGEER! | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 375


Schaaps Beenbreuk (5)
Gezondheid | gezondheid | 21 Oktober 2008 | 15:14:33

Hefaistos' smidse

Woensdag 15 oktober 14:30 uur

Mijn playlist 'klassiek' begint voorin het alfabet met het Brandenburger Concert Nr. 4 in G Majeur van Johann Sebastian Bach. Ik luister er zelden naar, maar heb toch een paar uur klassiek op de iPod staan voor het geval dat ik opeens behoefte zou kunnen krijgen aan een canon in mijn leven. En laat ik dan nu bedenken dat dat moment is gekomen.

Ze gaan een pin in mijn scheenbeen zetten, die de twee stukken aan elkaar zal verbinden. Aan het kuitbeen doen ze niks. Dat heelt vanzelf. Zeggen ze. Verder kan ik me helemaal niets voorstellen bij de aankondiging. Ik ben alleen blij dat er wat gaat gebeuren. Dat ik snel weer naar huis kan.

Minder blij ben ik met het vooruitzicht van de plaatselijke verdoving. Zelfs bij de tandarts vind ik plaatselijke verdoving eigenlijk al niets. Maak mij maar helemaal weg en wek me drie dagen later, als alles over is, de zon schijnt en ik met Suzanne op een terrasje in Goudargues zit.

Zoals mag blijken: ik en pijn zijn geen .vriendjes, maar de praktijk in ziekenhuizen is er steeds meer één van: mensen zo efficiënt mogelijk helpen en snel weer naar huis sturen. Een algehele narcose is bovendien riskant, je bent maanden later nog dizzy. Van een ziekenhuis word je bovendien ongelukkig, dus hoe korter het verblijf, hoe beter. Helemaal mijn idee.

Ik kan me vinden in het nieuwe beleid. Maar ik wil nog steeds niets meemaken wat ze met me gaan doen. Ik kijk ook nooit naar Vinger aan de Pols of ER. Ik begrijp de fascinatie van de mensen niet die afspraken afzeggen voor een uurtje griezelen bij mislukkende operaties, kloppende, lillende ingewanden, en precisienaalden langs een kwetsbare slagader. Mijn bewondering voor de medische stand is enorm, maar het is hun werk, niet het mijne.

Het Branderburger Concert Nummer 4 in G Majeur maakt van de rijtoer door de gangen van het Diak een uitzending van Weg van de Snelweg. Ik moet erom lachen, maar begin ook steeds meer te twijfelen aan mijn keuze voor klassieke muziek. Ik wilde iets ingewikkelds horen, zodat ik mijn gedachten meer kon laten spelen met de modulaties en ritmeveranderingen van J.S. Bach dan met de snij-acties van de chirurg. Ik dacht bovendien: laat ik iets nemen waar ik niet nu al een hele speciale band mee heb, want het zou zonde zijn om muziek waar ik heel veel mee heb, zoals Rufus Wainwright, voorgoed te besmetten met het beeld van pijn en snijdende artsen.

Op dat moment ga ik er nog steeds van uit dat ik met snijdende artsen te maken zal krijgen. Hoe naïef.

In de wachtkamer voor de OK slaat de twijfel toe. Bach werkt me op de zenuwen, en wat als halverwege de operatie ik die muziek echt niet meer aan kan horen? Ben ik onder het mes, én heb ik kutmuziek op de oren. Ik weet trouwens ook niet hoe lang het feest gaat duren. Heb ik genoeg aan een uurtje, of gaat het allemaal langer duren? En ben ik tijdens de operatie wel in staat om iets anders op te zetten? Moet ik niet nu het nog kan wat opzetten dat ik goed vind? Ik besluit tot het laatste. Het wordt Bowie. Ik heb daar zoveel muziek van op mijn iPod, daar kan best wel een barstje in. En het mapje begint met het album “1.Outside”, en dat vind ik dan wel mooi, ik heb er ook niet zo heel veel mee. Ik zet het klaar als de laatste meters naar de OK worden ingezet.

De grap over de machine die 'Ping' doet komt op. Iemand moet hem toch snappen? Maar nee. Ik zie wel allemaal mooie jonge mensen om me heen. Aantrekkelijke vrouwen. Is het de morfine? In combinatie met mijn algemene defaitisme kan die wonderen doen, blijkt. Ik voel me soort van gelukkig. Ik spreek een van de vrouwen, de volwassenste, aan en vraag of zij mijn chirurg zal zijn. Ik babbel door en wil zeggen dat het zo goed is dat er steeds meer vrouwelijke chirurgen komen, omdat mannelijke chirurgen zich altijd zo misdragen op de werkvloer.

'Goedemiddag, ik ben dokter L, ik ga u opereren.'

Stom van mij. De dertigjarige arts die mij al eerder bezocht zal mijn beul zijn, net nu ik zoiets doms heb gezegd. De vrouwen hebben allemaal een assistentenrol. De mannen staan aan de knoppen. De anesthesist begint met verdoven. De ruggenprik zal mij vanaf de navel totaal gevoelloos maken. Akls ik toch iets voel, moet ik dat melden, maar zij zullen mij ook in de gaten houden.

De chirurg vertelt zijn plan. Hij gaat een metalen pen in mijn scheenbeen aanbrengen. 'We gaan binnen bij de knie en brengen hem via het merg helemaal door naar beneden, waar we hem aan het afgebroken stuk vast zullen maken.'

'Klinkt heftig'

'Dat is het ook, maar we doen dit vaker.'

'Hier staan de monitoren, daarop kunt u alles volgen.', zegt de mooie vrouw.

'Alsjeblieft niet!' roep ik. 'Ik wil er niets van meemaken.'

Voel ik enige teleurstelling bij mijn redders? Zijn ze beledigd dat ik hun prachtwerk niet wil volgen?


Het is opvallend hoe aardig patiënten over het algemeen zijn tegenover verpleegsters, chirurgen, artsen, wanneer ze eenmaal aan hun zorgen toevertrouwd zijn. Het lijkt bijna bezwering. Ook ik merk dat ik bang ben om één van die druk bezette, keihard werkende wonderdoeners ook maar één moment niet gelukkig te zien. Het leidt tot overdreven aardig doen, met professionele dankbaarheid beantwoord door de medicus in kwestie. Toevertrouwen is dan misschien ook niet het goede woord: je bent overgeleverd en bang, als patiënt. Ons gedrag lijkt meer op dat van gijzelaars in een bezette ambassade. Zonder dat de artsen en andere ziekenhuismedewerkers daar ook maar de geringste aanleiding toe geven. Ze hebben het alleen zo verschrikkelijk druk, dat ze – hoe graag ze dat ook willen – op geen enkele manier de patiënt kunnen laten voelen dat ze er voor hém zijn.


'Sorry', zeg ik. 'Maar ik kan daar niet tegen.'

'Geen probleem. We zorgen ervoor dat u niets ziet.'

'En ik zet ook mijn walkman hard, want ik wil niets horen. Ik hoop dat jullie daar geen last van hebben.'

De ruggenprik wordt toegediend. Ik merk er even weinig van als destijds mijn eerste joint, denk ik, maar na een paar minuten merk ik al niets meer van de handen van de arts die mijn been aftasten.

Mijn onderhelft zakt weg. Mijn bovenhelft ligt als gekruisigd op de operatietafel. Men sluit stekkers op mij aan. Een machine zegt 'ping'. Ik voel dat ze het gips eraf aan het hakken zijn, maar ik voel geen pijn. Go, boys, go.

Het gips is eraf. Ik vlieg, terwijl de mannen aan mijn rukken en trekken. Ik hoef niet te kijken. Wat ben ik blij met Bowie. Er wordt gesmeerd, getrokken, verlegd, en het kan me allemaal niks schelen.

'It happens today

The damage today

They fall on today,

They've been on the outside

And I'll stand by you now.

Not tomorrow

It's happening now.'

Ik schiet vol. Ik lig met natte ogen met een vol gemoed, gekruisigd op d de tafel en het geweld onderaan mijn lijf neemt toe.

'It happens outside.

The music is outside.´

Rukken, trekken. 'Jongens laten jullie mijn been zitten?' Ik lach en huil tegelijk.

Het geweld neemt iets af. Kennelijk ligt het been goed. Ik hoef niet te kijken. Ze zijn klaar voor onderwater.

'Something in our skies, something in our blood'

Ik ruik opeens een brandlucht. Verbrand haar? Barbecue!, stamel ik naar de anesthesist die ik vanuit mijn ooghoek kan zien. Maar hij reageert niet. Alle concentratie is aan de voorkant. Ik laat mijn grapje voor wat het is. Er staat iets te gebeuren.

'Paddy will you carry me, I think i've lost my way

I'm already five years older i'm already in my grave'

Opeens is er een gecoördineerde actie. Er worden twee palen naast me neergezet. Ze spannen er een groen laken tussen. Het gaat nu echt beginnen.

'Poor soul, he never knew what hit him.'

Hoor ik daar een boormachine? Iemand lijkt een kussen te leggen op mijn buik. Ik voel druk op mijn onderbuik. Moet mijn blaas leeg? De brandlucht neemt af. Veel gedoe beneden. Weer rukken en trekken. 'Doen jullie wel een beetje kalm aan, daar?' Roep ik in het luchtledige.

Dan begint het. Hamerslagen. Ijzer op ijzer. En niet van dat halfzachte hamertje-tik werk, of een overspannen huisvader die zijn De Waard -tent op wil zetten, maar industriekwaliteit hameren. The chain gang is aan het werk. Mijn iPod kan er niet tegenop.

Vergis ik mij, of zie ik dat er iemand bovenop mij staat, en van daar af met enorme slagen die ijzeren staaf mijn scheenbeen in aan het drijven is? Ik zie de hamer boven het groene doek uitkomen. De slagen dreunen door mijn lijf.

'Moondust will cover you.

This chaos is killing me.'

Bowie is god. Sinds 1973 vertelde iedere plaat die hij op zeker moment uitbracht precies wat ik op dat moment wilde horen. En nou flikt hij het weer.

'I wanna be free.'

'bye bye love'

Hoe lang is een scheenbeen? Veertig, vijftig centimeter? En nu de laatste centimeters. Het gebroken stuk. Dat moet precies aansluiten. Ik voel een paar pogingen.

Dan wordt het rustiger. Maar de rust is bedrieglijk. Ik zie de anesthesie-assistent naast me staan, wil iets tegen henm zeggen, maar zie zijn volledig met bloed besmeurde hes, en handschoenen. Dit zijn geen spetters, dit is een dag in het abbattoir. Achter hem staat een instrumententafel. Prominent ligt daar een Black&Decker accuboormachine, met grijs stof en bloed besmeurd.

'There is no hell

Like an old hell'

Mijn humor is allang verdwenen. Ik wil dat het stopt, maar we zijn nog maar pas begonnen. Heel het album lang worden er nog meer ijzer op ijzer slagen uitgedeeld. Door mijn voet heen, lijkt het wel, ik hoor krassen.

'All's well, 20th century dies.'

'HOUDT HET DAN NOOIT OP?!' ik citeer Roeland Fernhouts imitatie van Carice van Houten.

'We zijn bijna klaar.'

Dat mocht hoog tijd worden, want ik begin steeds meer te voelen. Houdt die verdoving het wel zo lang vol?

Halverwege Alladdin Sane, het tweede album van mijn Bowieverzameling, is het dan eindelijk gebeurd. Dit heeft veel langer dan een uurtje geduurd, bedenk ik me. Pas als alles gedaan is en de laatste bloedbesmeurde doeken in de afvalzakken verdwijnen, valt het Brechtiaanse voordoek en zie ik dat mijn been in een mooi drukverband is ingepakt. De artsen hebben het onderling over de voor- en nadelen van een nieuwbouwplan. Iedereen ziet er dodelijk vermoeid uit. Ik vraag of alles volgens plan is gegaan. 'Vanzelfsprekend' is het antwoord.

'We hebben een pen door het been geslagen, en die zit prachtig vast.' legt de chirurg uit. 'Onderaan zit een schroef. De verbinding daar is alleen wel kwetsbaar. Je mag er de komende zes weken absoluut geen gewicht op hebben, want dat kan de verbinding niet hebben. Sta je er wel op, breekt de verbinding, en gaat je enkel stuk, en je kuitbeen ook. Dan heb je echte dubbele beenbreuk en kunnen we het niet meer zo goed herstellen.'

Van weinig conversaties met artsen kan ik me zoveel herinneren, maar het zal wel aan de speciale toestand gelegen hebben, dat ik zijn woorden nu bijna letterlijk nog weet. Het was immers zo dubbel, die boodschap. Het herstel kon beginnen, maar het zou veel langer gaan duren.

'Operatie geslaagd, carrière overleden.', zoiets.

Ik dank alle medewerkers hartgrondig en gemeend. Dit was niet wat ik me bij een operatie voorstelde, maar er was iets heel speciaals voor in de plaats gekomen...


Op de recovery loopt één heel erg aardige verpleegster, bijgestaan door een ander die heen en weer loopt tussen hier en ergens anders. Naast me ligt een man die alleen maar Spaans blijkt te kunnen. Hij kermt de hele tijd, nu de verdoving wat lijkt uit te werken. De verpleegster probeert hem in het Engels gerust te stellen, maar alleen haar stemgeluid blijkt niet voldoende. Wanneer ze hem vertelt dat ze een katheter moet plaatsen, begrijpt hij haar niet. De verpleegster weet raad. Ze heeft een collega die een jaar in Barcelona heeft gewerkt. En die vast weet wat katheter in het Spaans betekent.

'Aha, una sonda por urinar. Dank je.'

Beide verpleegsters zijn blij met deze ontdekking en met die zelfde blijdschap melden ze de Spanjaard dat ze una sonda por urinar gaan aanbrengen. Het effect is desastreus. De man gilt het uit, jankt, smeekt ze om het niet te doen. Dat hij er alles voor over heeft, als ze maar van zijn geslacht afblijven. Het gaat door tot voorbij het moment waarop het ding is aangebracht. Het wordt rustiger. Het kermen is zachtjes.

Dan komt de verpleegster bij mij. Ze kijkt me aan met haar veelbetekenende blik. Ik moet eraan geloven. Nu ja. Ik heb me overgegeven. Hurt me, baby. Erger kan altijd nog, aldus mijn grote vriend Schopenhauer.

Dan blijkt hij er al in te zitten. Was mijn piempje gisteren onzichtbaar, nu voel ik hem niet eens. Dat valt mee. Zolang ik die aandrang maar kwijt ben. En laat hem voorlopig maar zitten.

Ik wil Suzanne. Nu. Maar ik moet nog zeker een half uur wachten tot de verpleegsters van afdeling Algemene Chirurgie tijd hebben om mij te halen.

Niets kan mij verder nog schelen. Eenmaal terug op zaal vind ik het geperste vleesproduct met spinazie en aardappelkroketachtigen zowaar lekker.


Volgende keer: De Politie

 
REAGEER! | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 1315


Schaaps Beenbreuk (4)
Gezondheid | gezondheid | 21 Oktober 2008 | 12:06:44

Halve liter (intermezzo)

Woensdag 15 oktober 2008, overdag.

De dokter die mij om half negen een glaasje water komt brengen, neemt ook de boodschap mee dat wegens drukte mijn spoedoperatie niet meer die ochtend, maar vermoedelijk pas helemaal aan het eind van de middag zal plaatsvinden. 'We moeten hem immers tussen de reguliere planning door doen.' Op mijn waarschijnlijk opnieuw snikkende reactie – ik vergeet langzaam maar zeker hoeveel ik heb gehuild – meldt hij wel dat ze zullen proberen om die operatie te vervroegen, 'zodra er een gaatje is.'

Dezelfde boodschap krijgt de mevrouw tegenover mij, 81 jaar met gebroken heup en een umlaut op haar naam die helaas niet kan worden afgedrukt door de MS DOS-stickerprinter van het Diak. Dat we in de loop van de dagen die volgen daar een gezellig 'Umlaut? NEE! Ümlaut!'-feestje van zullen maken, weet ik dan nog niet. Ik moet immers eerst zien te verwerken dat de boodschap van gisteren, dat ik na de spoedoperatie waarschijnlijk nog diezelfde middag naar huis zou kunnen, in rook is opgegaan. Er wacht mij nog een hele dag, een operatie, ergens aan het eind van de middag, en een nacht in die vreselijke zaal. En dan diezelfde pijnen als die Rasta had. Als iemand mij de inslag van een komeet had voorspeld, was ik dankbaar geweest.

Verpleegster M is een schat. De personificatie van het woord 'kordaat': razend snel, efficiënt en altijd klaar met een liefdevol grapje. Na de nare boodschap van de arts neemt ze een paar minuten de tijd om bij me te komen zitten en me even te laten grienen. Kostbare minuten, want er wachten tientallen patiënten op haar ervaren zorg. De belletjes, piepers en 'zuster!, zuster!'-kreten gaan door op de rest van de afdeling. Maar zij is onverstoorbaar. Het zijn overigens wel zo'n beetje de enige minuten die ik met een verpleegster doorbreng, waarbij het alleen om aandacht voor mij gaat. De andere gesprekjes zijn tijdens het spoelen van pispotten, tijdens het bloeddruk-meten of bloedprikken, als er een kussen verlegd moet worden.

'Quality Time' is er niet. Gewone tijd eigenlijk ook niet. Maar als ik vraag of ze het allemaal nog wel een beetje trekken, is het antwoord steevast: het gaat, maar we hebben een paar uitvallers en dan is het dubbelhard werken.' Hun ogen, hun gehaaste passen door de gang, de lange wachttijden wanneer je op het belletje drukt, vertellen een ander verhaal. Een anonieme zuster later die week ook: het hele Diak loopt op zijn tandvlees.

Mijn plasprobleem is er nog. Zij weet zo één, twee, drie ook geen oplossing. Ze weet wel dat mijn blaas leeg moet zijn voor de operatie. Via een echo meet ze de inhoud. Ze meldt me dat er toch zeker een halve liter uit moet voor ze gaan snijden.

'Anders moeten we andere maatregelen nemen.', zegt ze met een betekenisvolle glimlach.

Een katheter! Dat nooit! Mijn plasbuis is een uitgang. Zo istie gemaakt, daar istie voor ontworpen en daar gaan we niet mee sollen. Daar gaat helemaal niemand een halve centimeter dikke slang in steken met een ballonnetje aan het eind. Genoeg voor vandaag, voor altijd! Dan maar dood!

Ik glimlach terug en zeg: 'Dat motiveert wel.'

'Heb je wat afleiding tijdens het wachten.'

Daar heeft ze best een punt mee.

Een halve liter. Dat is meer dan een Grolsch beugelfles. Die nacht heb ik net 5cc weten te produceren, en nu is het daglicht. Lopen er op het moment dat ik de tuit pak gehoofddoekte schoonmaaksters om mijn bed, en als ik een volgende poging waag zwarte bedopmakers. Wat mij weer een aardig beeld geeft van de rolverdeling: de verpleegsters zijn allemaal blond tot donkerblond en seksloos op een manier waarop alleen christelijke meisjes dat kunnen zijn. Het schoonmaakpersoneel is moslim, vrouw en schaamt zich de hele tijd voor het verblijf op de zaal met halfnaakte mannen met plastuit, ruftende en boerende vrouwen van stand en ander sociaal ongemak. De mensen die de bedden afhalen en weer opmaken, zijn zwart, lachen de hele tijd vriendelijk en zien er uit als Afrikaanse werkstudenten. De artsen zijn allemaal onder de dertig en man.


Mijn telefoon gaat. Een man aan de lijn die ik gisteren nog achter de broek had gezeten omdat ik meer info nodig had voor een schrijfklus. Totaal onvoorbereid krijgt hij mijn betraande, en door morfine totaal verslapte stem te horen die iets mompelt van 'ongeluk gehad, sorry, ik kan er nu even niet over praten, maar dat interview gaat even niet door.'

'?'

'Bel je baas maar' en ik sluit af.

Dan besef ik dat zijn baas helemaal van niets weet, en dat ik misschien wel de opdracht, waar ik samen met Suzanne aan werk, in gevaar heb gebracht.

Suzanne komt, met iBook en de VN en de Volkskrant en het Parool en de NRC. Samen de klap van de vertraging verwerken is fijn. Ze heeft het mobiele nummer van Twitter, zodat ik nu kan gaan zenden. Ontvangen kan sinds deze zomer niet meer, dus ik zal als een ver amateurradiostation vanaf de frontlijjn gaan berichten wat er met mij in het Diak gebeurt. Dat vrolijkt me op.

Suzanne meldt veel hartverwarmende reacties. Van vrienden, en van Deining, het journalisten en communicatieprofsnetwerk waar we lid van zijn. Dat doet me verschrikkelijk goed. Het ontroert me. Had ik een halve liter tranen moeten leveren voor de operatie, was ik nu klaar geweest.


De dag sleept zich voort en Suzanne werkt zich uit de naad. Er moeten afspraken worden afgezegd, opdrachtgevers gebeld en gemaild. Vrijdag naar die grote opdrachtgever voor dat leuke boekje over een kunstwerk: ik moet het laten gaan. Alex van Warmerdam moet ik morgen afbellen. De mogelijkheid om zaterdag hoe dan ook naar de première van De Grote Verkiezingsshow van het Zuidelijk Toneel te gaan, wil ik nog steeds niet uitsluiten. Er hebben zich al mensen gemeld die me willen rijden. Niet meer kunnen recenseren? Ik moet er niet aan denken.


2 deciliter. Zuster M is niet te vermurwen, maar de operatie is nog ver weg. Ik houd vol. Een uur later is er weer anderhalve deciliter bij. Dat schiet op, maar zuster M kijkt nog niet tevreden. 'Nog minstens zoveel'. Ik tuit dapper door. Dan: goed nieuws. Ik kan om half drie al onder het mes. Gemengde gevoelens ook. Minder tijd om de benodigde hoeveelheid plas in de tuit te krijgen. De druk stijgt. Mevrouw Ümlaut aan de overkant wordt ook eerder geholpen, maar later dan ik. Ik ben kennelijk spoedeisender dan haar gebroken heup. Ik voel een kleine concurrentienijd van de overkant komen.

Om kwart over één staat de score op 45 centiliter. Zuster M kijkt me schattend aan. Lacht. Pauze. Dan: 'Ok. Voor deze keer.'

Ik neem me voor om tijdens de operatie, die met een ruggenprik zal plaatsvinden, heel hard het hoofdstukje 'klassiek' van mijn iPod leeg te spelen. Bij wijze van experiment.

Volgende keer: Hefaistos' smidse

 
REAGEER! | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 406


Schaaps Beenbreuk (3)
Gezondheid | gezondheid | 20 Oktober 2008 | 14:49:55

Rasta met megapenis

Woensdag 15 oktober 2008, 01:30u

Morfine met hoorcolleges van Maarten van Rossem op de iPod. Er is geen betere combi denkbaar. Hij heeft me in ieder geval de eerste nacht in de vierpersoonskamer op de Algemene Chirurgie van het Diak heen geholpen. Maarten van Rossem in het basispakket, dus. En Suzanne, natuurlijk, maar die bewaar ik voorlopig liever voor mezelf.

Suzanne is de iPod gaan halen, nadat ze schijnbaar uren bezig was geweest met de briefing. Ik lag op de vierpersoonskamer in mijn eentje te bekomen van de schok dat ik op een vierpersoonskamer lag. In mijn toen al door de nodige morfine en best nog wat traanafval omfloerste blik leek die kamer heel erg shabby. Vergeelde, rafelige gordijnen, vale verlichting en vage mensen in bedden.

'Daar ligt een oude man, daar een mevrouw en naast je ligt een jonge man.' Ik zwaai wat, en daarmee is het voorstelrondje klaar.

'Ik moet erg nodig naar de wc', fluister ik tegen de zuster. 'Maar ik weet niet hoe dat moet.'

'U krijgt deze plastuit.'

'Maar ik kan niet zomaar in het openbaar ...'

'Gewoon ontspannen, dan gaat het vanzelf.'

Nee dus. De heftige aandrang leidt nergens toe. Ook niet met de gordijnen rond mijn bed dicht. Mijn vader had dat probleem, ik heb het geërfd. In openbare gelegenheden wacht ik net zo lang tot één van de schaarse besloten toiletten vrijkomt. Alles beter dan het rijtje veel te dicht naast elkaar hangende urinoirs, of de zo hip bedoelde goot, die je ook nog wel eens aantreft. Soms maak ik de vergissing wel, als ik het idee heb dat er de eerste vijf minuten niemand binnen zal komen. Heb ik het ding net in de aanslag, komt er iets mannelijks binnen dat het apparaat in één beweging de broek uit zwiept en vervolgens uitbarst in vrolijk geklater. Vaak gaat zo'n zelfbewust type dan ook nog vlak naast he staan, want, hé, we zijn geen mietjes hier.

Mijn poging stokt. Wat er nog aan hangt, blijft hangen. Het zweet breekt me uit, en als ik extra druk wil zetten komt er slechts lucht. Een klein, wat benepen pruttelend geluidje, geheel in lijn met mijn emotionele toestand van dat moment. Het waterleidingbedrijf naast me maalt daar niet om, dat staat ruftend en zuchtend naast me te genieten van het leeglopende stuwmeer.

'Hoe lang heeft u die aandoening al?' vraagt de zuster.

Aandoening?! Het is geen ziekte, mevrouw, alleen een psychisch probleempje dat in de meeste situaties eenvoudig te overwinnen is. Maar hier dus niet. Met de gordijnen dicht wurm ik de plastuit tussen mijn benen. Op zich al een enorme klus, want been links is gegipst, en loodzwaar, en ook al doet de morfine zijn werk, ik voel nog steeds pijn, al is het maar de herinnering eraan. Been twee gaat voorzichtig opzij, de tuit wring ik er tussen, de zuster heeft me geholpen met de onderbroek.

Wie dat al genoeg decorumverlies voor één avond vindt, leest hier niet verder.

Want daar, met de onderbroek op de pijnlijke knieën, de plastuit ertussen, dient het orgaan in de opening geduwd te worden.

Maar er valt niets te duwen. Dingetje is weg. Mijn anders best imposante deel is er vandoor. Niets meer te zien van mijn ego, dat toch best wat vrouwen in beroering heeft weten te brengen, de afgelopen decennia. Van schrik is het verschrompeld tot een minuscuul stukje gerimpeld slap vlees, ergens tussen vele plooien van de rest van mijn mannelijkheid. Ik moet nu dus niet alleen de ontgoocheling overwinnen, maar ook het kleinste piempje ever de grote sprong laten maken naar de inmiddels gigantische opening van de plastuit.

Ik geef het op.

Suzanne komt binnen. Ze is midden in de nacht heen en weer geweest naar huis. Iets waarover ik me best zorgen maakte, want de route tussen Diakonessenhuis en ons huis is dan wel niet lang, hij gaat wel door donker en leeg gebied, langs plekken met hangjeugd en wat al niet meer. Maar hoezeer ik me daar ook druk over wil maken, de morfine overdekt alles met een dikke laag gelijkmoedigheid, zeker nadat ik nog een extra shot heb gevraagd, omdat er weer een zweempje pijn opkwam, na mijn eerste plaspoging.

Suzanne heeft hard gewerkt. De oplader voor mijn Neo Freerunner, de oplader voor de iPod. Mijn iPod, haar iPod, een boek van Douwe Draaisma en nog wat spullen. Het nog op geen enkele manier tot het digitale tijdperk doorgedrongen ziekenhuis veert op van web 0.05 tot web 0.06, maar mijn freerunner vindt geen enkel toegankelijk wifi-punt. Geen communicatie, dat moeten we morgen eens uit gaan zoeken. Het mobiele nummer van Twitter zal misschien uitkomst bieden.

Belangrijker voor nu is: ze heeft de hoorcolleges van Maarten van Rossem van iTunes gehaald. De gedachte aan muziek wekt me op dit moment niet op, en de gelijkmatige ironie van Van Rossem lijkt ideaal. Suzanne heeft ook mails gestuurd aan vrienden en bekenden. De eerste reacties stromen binnen en zijn hartverwarmend. Voor mij, maar ook voor haar. Ontroerend is dat. Ik ben dolblij met haar. Prijs me gelukkig.

Ze gaat weer, want ik moet zien te slapen en te plassen, en zij moet ook verder.

Ik blijf alleen achter in mijn stoffen hokje van drie bij drie. Zet Van Rossem op en er daalt gelukzaligheid neer. De rest van de kamer is relatief stil, al wordt er wat gezucht en gesteund, hier en daar. Ik zet de iPod zo zacht mogelijk, want ik wil geen geluidsoverlast veroorzaken. Het gaat goed. Ik dommel, ontspan wat en doe vervolgens halverwege wereldoorlog 1 een nieuwe plastuitpoging. Het lijkt te gaan lukken. Er komt een druppel. Maar er komt meer. Het druk zetten levert een luidruchtige luchtstroom op. Misschien niet eens heel luidruchtig, maar hoorbaar. Ik probeer het zo hoopvolle begin van de plas voort te zetten. Dan maar met wind. Ik hoorde aan de overkant ook al een hele vieze, en de meneer links boert hard.

Maar dan begint het gewoel rechts van mij. Gekreun. Gedraai. Een enorme scheet. Getergd kermen. Ik hoor een plastuit en vervolgens het omineuze, holle geklater van een zelfbewuste man, die zelfs onder hevige pijnen zijn territorriumdrift de vrije teugel kan laten. Het geluid duurt voort. Hier gaat een dikke liter. Hij drukt op het belletje. Kermt om een zuster. Ik hoor een zwaar Surinaams accent en wanneer ik via een kier in het gordijn naar hem kijk zie ik dat hij een minstens twee meter lange man is, met enorme Rastakrullen en spierbundels van staalkabel. Eén plastuit bleek niet voldoende. Zuster brengt een tweede en die gaat ook vol. Zuster gaat ze legen. Wanneer ze naar buiten gaat neemt ze het laatste restje zelfvertrouwen mee dat mij nog restte.

Tegen zoveel mannelijkheid ben ik niet opgewassen, zelfs niet als hij later die nacht zulke verschrikkelijke pijnen krijgt dat hij de hele afdeling bij elkaar schreeuwt en doktoren uit alle hoeken van het ziekenhuis toesnellen om hem te kalmeren en iets aan zijn pijn te doen.

Ik begin me zorgen te maken. Deze man had al een operatie ondergaan, en kreeg toch nog zulke pijn. Dat staat mij voor morgen toch niet te wachten?

Maar zelfs dat is vooral een gedachte. Morfine en Maarten van Rossem, inmiddels dik in de koude oorlog aanbeland, doen hun werk. Ik slaap niet echt, hoor nog hoe de oude man tegenover mij geholpen moet worden aan pijnklachten, en merk iets van onrust en rennend personeel wanneer een oude man gewapend met een schaar de afdeling onveilig maakt. En verder een voortdurend concert van zuchten, winden, boeren en klaterend water in de zaal. Waarbij ik alle partijen meeblaas, behalve die laatste.

Bij het begin van de eerste golfoorlog zet ik Van Rossem uit. Ik dommel wat. Zonder werkelijk besef van tijd word ik wakker wanneer een verpleegster in de nog donkere slaapzaal bij iedereen een borrelglaasje met pillen neerzet en de kamer weer verlaat voor ik kan vragen wat er de bedoeling van is, of dat ik een glaasje water kan hebben om ze in te nemen, en of die pillen wel voor mij zijn. Ik heb immers al morfine?

Geen gehoor, ook niet als later iemand langskomt met een bloeddrukmeter voor de Rasta. Zij kan de vragen niet beantwoorden, of wil dat niet. Weg is ze. De lichten gaan aan, er wordt ontbijt bezorgd en een formulier neergelegd. Wat moet ik daarmee? En kan ik water krijgen? Invullen en voor water wordt gezorgd. Zegt deze.

Om acht uur doet de arts zijn ronde met twee co-assistenten en een verpleegster, maar zonder water. De Rasta mag naar huis. De man tegenover mij mag naar huis. Mevrouw blijft liggen. De arts vraagt hoe ik me voel. Ik zeg ik weet het niet. Ik weet niet wat de bedoeling is, ik weet niet wat ik met die pillen moet, en wat moet ik met dat formulier, want de mevrouw die het uitdeelde is al twee keer heel chagrijnig langs geweest met de vraag of ik er nou nóg niet naar gekeken had. En ik kan niet plassen.

Ik barst in snikken uit voor een breed publiek van artsen die allemaal niet ouder dan 25 lijken. Welkom in de ijzeren discipline van het ziekenhuis. Ik moet me overgeven, maar ik weiger. Het lunch en dinerformulier vul ik in. Er staan verschrikkelijke gerechten op, maar wat moet dat moet. En ik moet nuchter blijven. Want vandaag word ik hopelijk heel snel geopereerd, mag ik naar huis en kan ik de hele nachtmerrie achter me laten.


Vervolg: Halve liter


 
REAGEER! | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 412


Schaaps Beenbreuk (2)
Gezondheid | gezondheid | 19 Oktober 2008 | 19:33:54

Jungle boek

Utrecht, 14 oktober 2008, 20:20 uur.

Over ambulancehumor nog even dit. Toen ik liggend in de ambulance op weg was de plek van mijn ongeluk naar het Diakonessenhuis vertelde ik kort over het eerdere ongeluk dat ik had gehad: die dronken brommerbejaarde met een overbeladen Puch Maxi zonder remmen die links afsloeg op het fietspad waar ik hem rechtdoor tegenkwam.

'Er zit wel ontwikkeling in', merkte het duo scherp op. 'Eerst een brommer, nu een auto...?' 'Ik zou maar eens goed uitkijken voor vrachtauto's in de toekomst.' 'Of trams'.

De dingen waar je allemaal om lachen moet in een ambulance. Natuurlijk, net als chirurgen en verpleegsters hebben ook ambulancemedewerkers een uitlaatklep nodig, maar die moet wel onderling blijven. Dat deel je niet met de zoveelste patiënt op de brancard, ook al heb je er al een dienst van 12 uur en drie dampende lijken op zitten. Maar voor mij geldt ook: niet te joviaal doen met die mensen aan wie je bent overgeleverd. Net als met taxichauffeurs. Geen gesprek mee aanknopen. 'Leuke buurt, hè?' 'Nou, breek me de bek niet open.' En dan begint het gelazer. Stap je politiek en sociaal gebroken op je bestemming uit.

Speaking of which: ik was dus met een extreem pijnlijk gebroken been op weg naar het Diakonessenhuis in Utrecht. Geen zwaailicht of sirene, zoals de vorige keer, want ik was bij kennis, had al een half uur op straat op ze liggen wachten omdat ze de verkeerde kant uit waren gestuurd en bloedde niet, althans niet voordat ze mij dat infuus een beetje onhandig in de arm had gestoken. . Jammer, dat van die sirene, maar dat was de enige nog enigszins zinnige gedachte die ik me van het ritje van een paar minuten kan herinneren.

Engelen zijn het overigens, allemaal. Laat dat boven alles duidelijk zijn. Onderbetaalde, overbelaste, uitgeknepen en ondergewaardeerde engelen, dat wel.

Het volgende beeld was dat van een loket. Werkelijk. Of ik mijn verzekeringspasje kon laten zien. Stel je voor. Aanrijding met beenbreuk en doorrijdende dader. Op de koude straat wachten op een ambulance. Met verschrikkelijke pijnen op een brancard worden gehesen, weer eruit op de poli en dan eerst moeten stoppen bij een loket. Ik wilde alleen maar geholpen worden. Een geweldige verdoving krijgen, Suzanne zien en dan weg. Maar nu moest ik eerst overal in mijn zakken zoeken naar mijn portemonnee, voor ik door mocht. Nu ja, ik had het pasje ook al aan de ambulancemensen moeten laten zien en de mevrouw achter het loket zag er niet uit of er met haar te spotten viel. Dat deed niemand daar, dus ik ook niet.

Volgde een lange gang, met voorbijglijdende tl-verlichting. 'Het lijkt de trailer van Six Feet Under wel', grapte ik, 'Maar dan zonder dat labeltje aan mijn grote teen.' Niemand lachte. Ik ook niet, maar ik was nu eenmaal op een grapstand en zolang ik niet bewoog in mijn opblaasspalk slaagde ik er werkelijk in om mezelf het idee te geven dat ik er het beste van aan het maken was.

Een kamertje van het formaat bezemkast plus. Ik wordt aangesloten op hartbewaking, ademcontrole, bloeddruk en achter mij begint een machine 'piep' te zeggen, wat mij weer op die briljante scene uit Monty Pythons 'Meaning of Life' brengt, maar niemand lijkt die film gezien te hebben, of ook maar iets te snappen van mijn olijk bedoelde opmerking: 'Ha, jullie hebben de machine die 'ping' zegt.'

Er kwam een acuut einde aan mijn humor toen de arts, dan wel verpleegkundige, zekerheid wilde krijgen over de vraag of mijn been nu gebroken was, en zo ja, waar dan precies. Ik had nog zo gewaarschuwd om er van af te blijven, maar men zette door. De spalk ging er af en het tasten begon, tegelijk met mijn brullen. Ze zochten niet verder, maar mompelden iets als: 'Geen laesie van de huid, maar wel alle symptomen. We moeten eerst een foto hebben.' Inderdaad, jongens en meisjes, gewoon afblijven en wachten. Dan verdoven en een foto nemen. Boel lassen en mij weer naar huis sturen.

Suzanne komt binnen en het huilen begint. Bij mij, bij haar. De mensen laten ons even alleen. Uit discretie, maar ook omdat er nog meer te doen is. Later vertelde een aardige verpleegster mij dat het een ongelofelijk gekkenhuis was, die dinsdagavond.

Ik klaag over pijn, ik gil het eigenlijk nog steeds uit en ook Suzanne smeekt de verpleegster/arts/whatever om iets sterks tegen de pijn te geven. 'We hebben iets gegeven', zegt ze. Maar dat werkte dus niet, kan ik haar verzekeren.

Ze kijkt hulpeloos, vermoeid en streng terug.

Suzanne huilt, ik kerm.

'Kunt u geen morfine geven?'

'Ik zorg voor iets dat ook goed is.'

'Maar er gaat toch niets boven morfine?' Suzanne zegt het een beetje lacherig door de tranen heen. 'Ik heb dat een keer gehad en heb er alleen maar goede herinneringen aan.'

Ze refereert aan die periode, nog niet eens zolang geleden, dat we kinderen wilden krijgen en dat alleen mogelijk zou kunnen zijn als ik in een erg op dit kamertje gelijkend hok mijzelf zou aftrekken in een klein potje en ze bij haar met een gigantische naald door de schaamlippen een paar eicellen uit haar eierstok zouden halen. De eerste keer was onverdoofd en hel voor ons allebei, de latere keren, met morfine, was het alleen nog maar een hel voor mij, naast haar. Zelf lag Suzanne met een big smile naar de monitor te kijken waarop het verwoestende werk van de 30 centimeternaald te volgen was. Nu zou ik eens zo'n smile kunnen krijgen en ik verlangde ernaar.

Maar de vrouw kijkt Suzanne onderzoekend aan. Ik denk: 'Nu krijg ik nooit morfine, want zij denkt dat mijn vrouw een junk is. Dank je wel, Suzanne.' En inderdaad. Geen morfine, maar iets anders. Later. Eerst moet er nog van alles gebeuren, zoals al mijn bovenkleren uit. In deze ontluisterende toestand laten ze ons alleen. Langdurig. Tot er een foto kan worden genomen.

Het hok waarin ik lig is klein, gloeiend heet en volgestopt met spullen. Dit is een kast, geen echte diagnosekamer, toch? Maar ja. Ze hebben een machine die 'ping' zegt en er hangt iets ter afleiding aan het plafond. Mowgli in de armen van die grote beer. Jungle boek. Ook aan de muur hangt Mowgli. Later, bij de receptie: Mowgli. In de gipskamer: Balou. De platen laten zien wanneer er voor het laatst een stagiaire patiëntenwelzijn een onderzoekje heeft kunnen doen. Ergens in de sixties.

'Het is hier wel helemaal op kinderen afgesteld, hè?' Het is niet gek dat dat soort dingen ons meer opvallen sinds dat avontuur met die naalden niet het beoogde resultaat opleverde. 'Alsof volwassenen geen afleiding nodig hebben, als ze hier liggen', val ik Suzanne bij. 'Het zou zelfs pijnstillend kunnen werken om kunst of iets anders moois te hebben om naar te kijken, is aangetoond.'

We geven elkaar weer eens zaligmakend gelijk. Ook over de totale zinloosheid van iets moois in deze bezemkast. Vormgevingstechnisch is dit de beroerdste plek waar ik ooit geweest ben. Minuten worden kwartieren, een uur, nog meer. Een enkele opleving van hoop als er weer geluid klinkt achter het gordijn, in de gang, maar er zijn hier meer mensen die hulp nodig hebben.

Zuster komt langs. Met een spuit zonder morfine. 'Laat dit even inwerken, en dan gaan we een foto maken.' Ik: 'Dat moet dan zeker nog een uur duren, want voor zo'n pijnstiller dat wat ik voel heeft gestild, zijn we een uur verder.' Maar nee. Een paar minuten later komt een lieve mevrouw van de ziekenvervoersvrijwilligers mij halen. Six feet under, aflevering twee. Halverwege de route word ik even geparkeerd. Er staat een file voor de fotokamer en ik blijk te staan naast de open deur van wat ik dik een uur later zal herkennen als de gipskamer. Iemand daarbinnen kreunt en gilt. Een grote, volwassen man, zo te horen, omgeven door sussende en huilende familieleden.

De tijd kruipt voort, de gang is vol, ik sta in de weg, grap wat sorry's en onderga de traagste minuten ooit. Ik voel de zojuist toegediende pijnstiller nog niet aanslaan. Dan mag ik. De doka in. Of Suzanne wil helpen, want er is iemand nodig voor het vasthouden van mijn benen terwijl er loden platen onder mijn been geschoven worden. Ik roep: 'Maar de verdoving werkt niet. Kunnen we niet wachten, of iets zwaarders nemen?'

'Wat heb je gekregen?'

Ik weet het niet, hij noemt wat namen, en ook Suzanne weet het niet.

'Staat dat niet op het briefje?'

'Nee. Nu ja, Het zal wel even pijn doen, maar we doen het heel voorzichtig.'

We. Dat betekent niet het pluralis medicalis, maar vertelt dat hij Suzanne medeplichtig heeft gemaakt. Ze is hier niet voor opgeleid, weet niet waar ze me vast moet houden en is hoe dan ook emotioneel op dit moment zo van haar water dat ik nog geen suikerklontje aan haar zorgen zou toevertrouwen. Maar nu is ze mijn enige hoop op een zo pijnloos mogelijke fotosessie. En dan gaat het dus mis. Nadat het geschuif met platen en het nemen van foto's redelijk is verlopen en ik Suzanne vooral niet wilde compromitteren door haar optreden als pijnlijk te ervaren, stoot iets of iemand tegen mijn linkervoet. 'Oeps, sorry.' Ik gil het uit. En dan hebben we het over gillen in het kwadraat. Ik vervloek alles en iedereen en maak er een emotionele janboel van. Suzanne huilt, de fotograaf zit met de handen in het haar, want ik moet ook nog terug de brancard op. Dat is me echt teveel, maar er wachten nog meer mensen, en het is trouwens hoe dan ook aardig laat aan het worden. Decibelmeters in het rood.

Ik keer gillend en huilend langs de gipskamer terug naar de bezemkast. De gipskamer was immers bezet, en ze moesten nog naar de foto's kijken. Inmiddels was al duidelijk dat ik te laat was binnengekomen om mijn spoedoperatie nog werkelijk op dezelfde dag te laten plaatsvinden. Dat zou nu als eerste de volgende ochtend zijn. Zeiden ze. Opnieuw lang wachten, een half uur, meer. De pijn zakt iets, zolang ik maar niet hoef te bewegen. Dan: Morfine. Eindelijk. Waarom nu ineens wel? Omdat de operatie wordt uitgesteld, werd mij vijf dagen later uitgelegd door de weekendzuster op de afdeling algemene chirurgie waar ik vier nachten zou gaan doorbrengen.

Maar dat wist ik toen allemaal nog niet. Ik wist alleen dat mij een nacht wachtte, maar dan in ieder geval een verdoofde nacht. Een half uur later voelde het gips aan als een warm bad. De morfine werkte, ik kwam iets tot rust. Nu alleen nog wachten op de uitslag van de foto en nieuws over verdere ontwikkelingen.

De arts kwam tegen kwart over elf. Een dubbele beenbreuk, zei hij, laag in het scheenbeen, hoog in het kuitbeen. Aardig gecompliceerd, maar herstelbaar. Morgen zou ik zo snel mogelijk aan de beurt zijn, en hoe lang het herstel zou gaan duren kon hij moeilijk zeggen. Minimaal zes weken. Maar ik zou waarschijnlijk morgen ook weer naar huis kunnen. Onder de huidige omstandigheden was alleen dat vooruitzicht voldoende om me een beetje te kalmeren. Samen met de morfine en met Suzanne aan mijn zijde.

O, ja. Al die tijd moest ik ook nog verschrikkelijk nodig plassen.


Volgende keer: Rasta met megapenis.

 
REAGEER! 1 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 691


Schaaps Beenbreuk
Gezondheid | gezondheid | 19 Oktober 2008 | 15:22:42

Hij wilde gewoon doorrijden

Dinsdag 14 oktober 2008, rond half acht.

De verbijstering was er het eerst. Hij gaat rijden. Zomaar. Rijdt-ie nou? En stopt-ie niet? Ik ben toch voor hem? Nee hij stopt niet. Bumper raakt me. De linkerpunt van de auto beweegt zich door mijn been heen lijkt het, maar ik blijf overeind. Ik kijk alleen maar naar die motorkap die door blijft bewegen. Ik heb weggestuurd van de auto, maar hij blijft komen, stopt niet. Mijn fiets is er voorbij, wankelend kom ik tot stilstand terwijl de auto rustig doorrijdt. Ik stop, zet mijn linkerbeen op de grond en voel dat het mis is.

De pijn is niet voorstelbaar en nu ook niet meer te beschrijven, ik zak in een keer door mijn been, rol op de grond direct op mijn rechterzij, gil het uit en kijk de auto na, nu niet alleen verbijsterd, maar ook gek van pijn en woede. Mijn gillen houdt niet op. De auto stopt een meter of twintig verder, aarzelend. Ik zie iemand erop aflopen. Ik gil en krijs.
Er is iemand bij me. Een jonge vrouw. 'Ga maar rustig liggen.' 'Waar doet het pijn?' Ik wijs naar mijn linker been, en zeg dat het volgens mij gebroken is. Ik zeg: 'Die man moet stoppen.' 'Er wachten 8 spelers op me. Ik moet regisseren.'

'Ik ben verpleegster, zegt een jonge vrouwenstem, misschien dezelfde als die me het eerste aansprak. 'Gil maar lekker.'

'Heeft u hulp nodig?'

'Nee, alles onder controle.'

'Is er een ambulance gebeld?'

Van diverse kanten klinkt 'ja'.

'Ik kan helpen. Ik ben verpleegster.'

'Ik ook.'

Onder de omstanders zijn minstens vier professionele verpleegsters, blijkt, waarbij het aantal ervaringsjaren wel telt. Niet elk advies klinkt mij even houdbaar in de oren en ik merk dat ik zelf toch redelijk in een stabiele zijligging heb weten te manoeuvreren. Ik prijs mezelf gelukkig. Maak een enkel grapje, en werk mee bij hun gesprekspogingen om mij bij kennis te houden en erachter te komen wie ik ben, waarom ik hier lig en waar ik vandaan kom. Ik ben glashelder in mijn hoofd, althans, zo voelt het.

Een verpleegster wil mijn been ondersteunen, een andere zegt: 'als hij zoveel pijn heeft, liever niet'. Ik geef haar volmondig gelijk. Ik ben inmiddels iets kalmer, als de pijn nog steeds onverdraaglijk. Iemand vraagt me of ik aangereden ben. Ik zeg ja. Door die auto daar en hij wilde doorrijden. Hij moet hier blijven, en ik roep nog wat verwensingen. Dat hij een lul is. Dat mijn leven kapot is. Dat ik zelfstandig ondernemer ben en zaterdag naar een voorstelling in Eindhoven moet om te recenseren. Ik zie iemand weer naar de auto lopen, en zie vervolgens de auto achteruit een parkeerplaats opzoeken, dichter bij. De bestuurder zie ik niet, en heb ik ook niet gezien. Niet voor of zelfs tijdens het ongeluk, omdat er geen dreigende situatie was, waarbij ik altijd ooogcontact zoek met medeweggebruikers. Ik weet nu, zondag 19 oktober nog steeds niet wie mij aangereden heeft, en vooral: waarom?

Een vrouw zegt: zal ik uw fiets in veiligheid brengen? Ik woon in het appartementengebouw hier en ik heb het zien gebeuren. Ik kan beter uw fiets in de berging zetten, dan dat hij hier achterblijft. Ik aarzel, maar geef haar toch mijn sleutel. Er wordt naar mijn adres gevraagd, naar iemand die ze kunnen bellen. Ik geef ze het nummer van Suzanne, maar ze neemt niet op. Bij een tweede poging wel, blijkt, en inmiddels heb ik ook mijn telefoon opgediept en mijn portemonnee. Ik zoek mijn visitekaartje. Alles om af te leiden van de verschrikkelijke pijn, die niet minder wordt, de woede, die groter wordt en de machteloosheid die me overvalt. Waar blijft de ambulance? Suzanne belooft thuis te wachten, ze zal zoeken naar een nummer van één van mijn spelers om die te waarschuwen dat ik niet kom, maar dat lukt niet.

Nog steeds geen ambulance. Ze blijken naar het verkeerde kruispunt te zijn gegaan. Maliesingel-Nieuwegracht. Pas later besef ik dat ik op het kruispunt Tolsteegsingel-Nieuwegracht lig, dus de vertraging van de ambulance is enigszins begrijpelijk.

Dan vraagt iemand of er niet ook politie moet komen, gezien de toedracht. Ik zeg ja, ik ben er nog steeds van overtuigd dat de persoon in de auto moedwillig door bleef rijden. Ik was immer glorieus te zien in de koplampen aan bestuurderskant? Hij moet toch gevoeld hebben dat hij iets raakte? Waar keek hij naar, als hij niet naar voren keek? Zijn dode hoek?

De politie wordt gebeld, en weer een eeuwigheid later, als zich nog twee verpleegsters melden, is de politie er. Ik hoor ze mensen op afstand zetten, kennelijk ben ik de attractie van de avond, en dat is ook voorstelbaar gezien het volume van mijn gegil, dat inmiddels is overgegaan in luid gehuil en gekreun. Maar wie zou niet?

De gebruikelijke vragen, kan ik mij identificeren? Nee, natuurlijk, dus die boete heb ik al binnen. Wijs ze op mijn portemonnee, daar zit van alles in. Ik wijs ze op de auto die me aanreed. Ik zie een agent er vanuit mijn ooghoek heenlopen en weer terugkomen. Verder geen nieuws.

De ambulance is er, er worden nog meer mensen op afstand gehouden. Ik vraag ze mij geen pijn te doen. Iets ter verdoving te geven? Niet aanraken! Dat been! 'We zullen toch moeten'.

De ambulancezuster is aardig, joviaal. Ik probeer haar grapjes met eigen grapjes te beantwoorden. Ze zegt: 'we gaan het spalken, dan wordt de pijn ook minder.' Maar dan moet ik eerst gestabiliseerd worden en dat wordt pijnlijk. Inmiddels ben ik iets milder over pijn geworden, al zeg ik nog dat ze blij mag zijn dat ze geen toneel speelt, want als ze me nog meer pijn doet, zal ik haar alleen nog maar slechte recensies geven, de rest van haar carrière. Ze snapt er natuurlijk niets van, maar dat maakt nu even niet uit. Als ik het maar snap. Hier ligt de beste recensent van Nederland op straat te creperen. En dat is een ramp. Ik denk ook: kan ik dit gebruiken voor mijn essay voor Nice?

Alles loopt door elkaar.

Dat stabiliseren is inderdaad voldoende om haar tot in de derde generatie kleinkinderen de grond in te schrijven. Maar daarna wordt het beter, dankzij de spalk. Haar carrière is gered, zeg ik. En ik denk erbij dat mijn carrière verwoest is. Ik ben zelfstandige in een kwetsbare bedrijfstak. Als ik niet kan recenseren of interviewen, is de kans groot dat de GPD een vervanger gaat zoeken. Op den duur zal dat kunnen betekenen dat die vervanger beter is, minder duur, misschien, minder moeilijke vragen stelt en dat ze hem of haar dan maar graag houden. Ik mag dan nog een tijdje voor piet snot bijbeunen, maar dan is het einde recensent Schaap. Veel mensen, onder wie enkele regisseurs en producenten, en een heel enkele acteur die Frank Lammers heet, én mijn opvolgster zullen de man die mij aanreed eeuwig dankbaar zijn.

Nice, denk ik steeds. Ik mag in december naar Nice als Nederlandse vertegenwoordiger op het Europese theatercongres. Naar Jorge Semprun. Als dat niet doorgaat kan ik mijn verdere groeimogelijkheden helemaal schudden. Mijn leven is kapot. Ik jank.

Mijn telefoon gaat. Ik zie dat acteur Jeroen belt. Die is snel. Heeft Suzanne hem gebeld? Nee, blijkt. 'Waar blijf je?', vraagt hij op zijn altijd zo leuke ironische toon. 'Heeft Suzanne niet gebeld?' 'Nee, we wachten al een kwartier op je. Normaal is dat ík te laat ben, maar jij nooit.' 'Ik lig in een ambulance, er is een ongeluk geweest, maar ik leef nog. Ik kan vanavond niet naar de repetitie komen, maar misschien kunnen jullie zelf nog de tekst een keer lezen?' Het gesprek stopt. De ambulancezuster en broeder doen iets met mijn been dat verder praten onmogelijk maakt. 'Ik knoei met jou erbij altijd enorm met de infusen. Kijk eens wat een bende.'

Een slagaderlijke bloeding kan er nog wel bij. Leven is toch al kapot. Als die pijn maar stopt.

Waar ik heen wil worden gebracht? Bizar.

'Is er een keuze?'

'Ja.'

'Nou, Diak dan maar, want daar kennen ze me nog van de vorige aanrijding.'

Zij vragen, ik vertel over die dronken bejaarde op zijn met tassen behangen brommer die mij in juli 1994 bij het Centraal Station tegemoetkwam en linksafsloeg terwijl ik op mijn oude racefiets aan kwam rijden. Dat was een ongeluk dat ik aan zag komen, enigszins. Dit ongeluk heb ik pas zien gebeuren toen het gebeurde. En steeds speelt door mijn hoofd: 'hij wilde doorrijden, hij wilde gewoon doorrijden.'

Ik roep 'KUT', zeg meteen 'Sorry.' want Kut roepen terwijl er een verpleegster bij is, is niet netjes. Ik roep God ook nog op om wat dingen te doen die hij gelukkig niet kan doen omdat hij er toch niet is, en de ambulancezuster grapt dat het Diak wel een christelijk ziekenhuis is, dus als ik nog wil vloeken, moet ik het nu doen. Ik volg haar advies hartgrondig op. Er vliegen ook nog wat kutten en sorrys langs. Je moet toch wat, achterin een Mercedes.

'We gaan rijden', zegt de broeder. 'Doen jullie een beetje voorzichtig?' en dan zeg ik nog iets over de ambulance die ik thuis voor de deur heb staan, met nog veel betere veren. 'Deze veren deugen ook', zeg ik als ze de eerste verkeersdrempel hebben genomen..

Er wordt even onderhandeld over de mobilofoon. Kennelijk wordt mijn voorkeur voor het Diak niet door het Diaconessenhuis gedeeld. Later zal ik snappen waarom. Nu kan ik alleen nog maar janken.


Volgende keer: Jungle Boek


 
REAGEER! 3 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 1163


 

Home   weblog sinds: 2004-12-22

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl. Problemen met de inhoud van deze log? Klik hier.